Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
het bevoegd gezag een beschermd beeldbepalend pand geheel of
gedeeltelijk af te breken.
Met betrekking tot een beschermd beeldbepalend pand met een
religieuze bestemming neemt het bevoegd gezag geen beslissing
over de aanvraag om vergunning dan na overleg met de eigenaar.
Voor zover het betreft een beslissing waarbij wezenlijke
belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging
in dat pand in het geding zijn, neemt het bevoegd gezag geen
beslissing over de aanvraag om vergunning dan in overeenstemming
met de eigenaar.
Het bevoegd gezag kan aan de vergunning slechts voorschriften
verbinden die strekken tot de bescherming van het belang met het
oog waarop de vergunning wordt geëist.
De vergunning kan slechts worden verleend indien naar het
oordeel van het bevoegd gezag het belang van de monumentenzorg
zich daartegen niet verzet.
Artikel 6.1, tweede en derde lid, van de Wabo is van
overeenkomstige toepassing.