Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te
beschadigen of te vernielen.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van
het bevoegd gezag een beschermd gemeentelijk monument:
geheel of gedeeltelijk af te breken, te verstoren, te
verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;
te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een
wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar
gebracht.
Een vergunning als bedoeld in het tweede lid is niet vereist
indien deze activiteit betrekking heeft op:
Gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering
vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en
bij een tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet
wijzigt, of
Een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige
veranderingen van een onderdeel van een gemeentelijk
monument dat uit oogpunt van monumentenzorg geen waarde
heeft.
Het derde lid geldt niet voor beschermde gemeentelijke
archeologische monumenten.
In afwijking van het tweede lid is voor beschermde gemeentelijke
archeologische monumenten geen vergunning vereist, indien dit in
een besluit tot aanwijzing van een archeologisch monument of bij
vergunning als bedoeld in het tweede lid is bepaald.
Met betrekking tot een beschermd gemeentelijk monument met een
religieuze bestemming neemt het bevoegd gezag geen beslissing
over de aanvraag om vergunning dan na overleg met de eigenaar.
Voor zover het betreft een beslissing waarbij wezenlijke
belangen van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging
in dat monument in het geding zijn, neemt het bevoegd gezag geen
beslissing over de aanvraag om vergunning dan in overeenstemming
met de eigenaar.
Het bevoegd gezag kan aan de vergunning slechts voorschriften
verbinden die strekken tot de bescherming van het belang met het
oog waarop de vergunning wordt geëist.
De vergunning kan slechts worden verleend indien naar het
oordeel van het bevoegd gezag het belang van de monumentenzorg
zich daartegen niet verzet.