Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 3

Delen van kosten met een ander

Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen bijstandsnorm 2006

De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag, zijnde 20% van het netto minimumloon, indien het betreft: een alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft; een alleenstaande of alleenstaande ouder die bij een ander op basis van een aantoonbare zakelijke overeenkomst inwoont; een alleenstaande of alleenstaande ouder, die uitsluitend inwoning heeft van een eigen kind of eigen kinderen van 18 tot en met 20 jaar en/of een eigen kind van 21 jaar of ouder die onderwijs of een beroepsopleiding volgen zoals bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald op 10% van het netto minimumloon indien het betreft: een alleenstaande of alleenstaande ouder die op basis van een aantoonbare zakelijke overeenkomst inwoning verschaft aan een ander; een alleenstaande of alleenstaande ouder die met een of meer bloedverwanten in de eerste graad van 21 jaar of ouder een woning deelt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel