Aan burgemeester en wethouders wordt gedelegeerd de bevoegdheid om bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, of bij een besluit als bedoeld in artikel 3.10, vierde lid Wet ruimtelijke ordening, om ingevolge artikel 6.12 eerste lid Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan vast te stellen en om ingevolge artikel 6.12 tweede lid Wet ruimtelijke ordening te besluiten dat geen exploitatieplan wordt vastgesteld.