Lid 1
Van iedere medewerker wordt minimaal eenmaal per jaar een functioneringsgesprek en een beoordeling opgemaakt.
Lid 2
Een beoordeling dient ook opgemaakt te worden als er een beslissing moet worden genomen over de rechtspositie van de medewerker, waarbij in ieder geval te denken valt aan:
overgang van een tijdelijk naar een vast dienstverband
toekenning van de functieschaal
toekenning van een persoonlijke toelage boven het maximum van de functieschaal
toekenning van een extra periodieke verhoging
overgang naar een hoger gewaardeerde functie
verandering in functioneren.
Lid 3
Een functioneringsgesprek of beoordeling wordt tevens opgemaakt, indien de medewerker, de beoordelaar, het hoofd van dienst, dan wel het college dat wenst.
Lid 4
Een beoordeling wordt niet opgemaakt, dan nadat tenminste drie maanden tevoren, een functioneringsgesprek met de medewerker is gehouden.