Lid 1
Indien in de plaatsingsprocedure geen on gewijzigde, gewijzigde, passende of geschikte functie voor een medewerker is gevonden, neemt het college besluit tot niet plaatsing.
Lid 2
De medewerker wordt in het verdere verloop van de procedure aangemerkt als herplaatsingskandidaat.
Lid 3
De medewerker wordt zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van het besluit tot niet plaatsing. In de motivering van het besluit wordt ingegaan op eventuele bedenkingen die door de medewerker zijn ingediend.
Lid 4
De medewerker kan bezwaar en beroep aantekenen tegen het besluit, zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, conform de Algemene wet bestuursrecht.