Het ouderschapsverlof bedraagt een aaneengesloten periode van tenminste een en ten hoogste zes maanden over ten hoogste de helft van de voor belangheb
bende geldende gemiddelde arbeidsduur per week met een minimum van acht uur.
Indien het dienstbelang niet toelaat dat het ouderschapsverlof wordt verleend op de wijze zoals in lid 1 omschreven, wordt na overleg met de belanghebbende een afwijkende regeling getroffen. Deze regeling leidt niet tot een vermindering van het aantal uren ouderschapsverlof, waarop de belanghebbende conform lid 1 aanspraak maakt. Het verlof dient in zijn geheel te zijn genoten binnen een jaar na door belanghebbende gewenste aanvangsdatum.
De belanghebbende meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen tenminste drie maande voor de door hem gewenste ingangsdatum door middel van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier.