Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Paragraaf

Artikel 4.1

Begripsbepalingen

Onderdeel van Omgevingsverordening provincie Groningen 2009

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: agrarisch bouwperceel: aaneengesloten stuk grond waarop bebouwing met een hoofdgebouw en bijbehorende gebouwen van een agrarisch bedrijf is toegestaan; agrarisch bedrijf: bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, houtteelt daaronder begrepen, of het houden van dieren; agrarische biomassavergisting: biogaswinning waarbij hetzij voor minimaal 50% gebruik wordt gemaakt van mest afkomstig van het betreffende agrarische bedrijf of co-substraten, hetzij het product, waaronder restproduct voor minimaal 50% wordt gebruikt op het betreffende agrarisch bedrijf; bebouwing: één of meerdere gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde; bedrijfswoning: woning die gezien ligging en functie bedoeld is voor de huisvesting van personen wier aanwezigheid gelet op de bestemming van een gebouw of een terrein noodzakelijk is; bedrijventerrein: perceel of cluster van aaneengesloten percelen in hoofdzaak ten behoeve van bedrijven en bijbehorende voorzieningen; bestaande bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning, met uitzondering van bebouwing die gebouwd is zonder bouwvergunning en in strijd is met het op dat tijdstip geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan; bestaand gebruik: gebruik van grond en bebouwing dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestond, met uitzondering van gebruik dat op dat tijdstip in strijd was met het geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan; bos; vlakvormig element met bosbeplanting van minimaal één hectare; buurtwinkel: winkel die geheel of nagenoeg geheel uitsluitend de bewoners van een dorp of woonwijk waar de winkel is gevestigd, voorziet van dagelijkse behoeften; bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal die direct of indirect met de grond is verbonden dan wel direct of indirect steun vindt in of op de bodem; chalet: demontabel bouwwerk, ten behoeve van recreatief verblijf, bestaande uit hout of kunststof en zonder vaste verankering in de grond; cultuurhistorie: fysieke overblijfselen van de historie, zowel bovengronds als ondergronds als het cultuurlandschap met zijn historische landschapselementen als verbinding daartussen; detailhandel: bedrijfsmatig te koop aanbieden en uitstallen van goederen met het oog op de verkoop van die goederen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan voor de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; ecologische hoofdstructuur: als zodanig in bijlage 10, kaart 4 aangeduide gebieden; gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; gevaarlijk afval: afval, dat als zodanig is aangegeven in de Europese Afvalstoffenlijst (Eural) glastuinbouwbedrijf: agrarisch bedrijf waarbij de teelt van gewassen in een kas plaatsvindt onder gecontroleerde omstandigheden; grootschalige detailhandel: detailhandel met een bovenregionale functie en een vloeroppervlak van 1500 m2 of meer per vestiging; grondgebonden agrarische bedrijfsvoering: agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf; hoofdgebouw: gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; houtsingel: met bomen en struiken begroeide strook langs een perceelafscheiding, waarbij de begroeiing zich niet bevindt op een aarden wal; houtteelt: bedrijfsmatige uitoefening van uitsluitende het kweken van bomen ten behoeve van de houtproductie op gronden die hier in principe tijdelijk voor worden gebruikt en waarvoor ontheffing is verleend op grond van artikel 6, tweede lid, van de Boswet; houtwal: door mensen opgeworpen langgerekte aarden wal met daarop aaneengesloten beplanting van verschillende houtsoorten en een onderbegroeiing; industriële biomassavergisting: biogaswinning anders dan agrarische biomassavergisting; intensieve veehouderij: niet-grondgebonden agrarische bedrijven die zelfstandig of als neventak geheel of nagenoeg geheel in gebouwen varkens, pluimvee, vleeskalveren en pelsdieren houden met uitzondering van het biologisch houden van dieren overeenkomstig de Landbouwkwaliteitswet; landgoed: woongebouw in het buitengebied in combinatie met ten minste vijf hectare niet anders dan door water- of landwegen doorsneden aaneengesloten terrein waarvan tenminste 60% voor het publiek toegankelijk is; landschappelijke waarden: essentiële elementen en kenmerken van landschappen, fysiek van aard, beschreven in bijlage 12; monumentaal erf: erf met enkele, afhankelijk van het landschapstype specifieke kenmerken; natuurlijke waarden: biotische en abiotische waarden van een gebied; nevenactiviteiten: aan de hoofdactiviteit ondergeschikte activiteiten die niet rechtstreeks de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering betreffen; nieuwbouwruimte: het maximale aantal woningen per gemeente dat mag worden gebouwd, inclusief vervangende nieuwbouw; permanente bewoning: gebruik van een recreatiewoning als feitelijk hoofdverblijf; recreatiewoning: woonverblijf bestemd voor recreatief gebruik door gebruikers die hun hoofdverblijf elders hebben; robuuste verbindingszone: als zodanig in bijlage 10, kaart 4 aangeduide gebieden; volwaardig agrarisch bedrijf: duurzaam agrarisch bedrijf dat volledige werkgelegenheid biedt of op termijn zal bieden aan ten minste één arbeidskracht; waterbergingsgebied: bergings- en noodwaterbergingsgebieden zoals aangegeven in bijlage 8; windmolen: molen die door de wind aangedreven wordt anders dan een windturbine; windturbine: door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit; winkelvloeroppervlakte: de voor het publiek zichtbare en toegankelijke, al dan niet geheel overdekte winkelruimte ten behoeve van detailhandel; woning: complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; zoekgebied robuuste verbindingszone: als zodanig in bijlage 10, kaart 4 aangeduide gebieden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel