Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Het besluit tot afstemming en het afzien van afstemming

Onderdeel van Handhavings-, afstemmings- en boeteverordening

1.. Als belanghebbende naar het oordeel van het college de verplichtingen uit artikel 9 of artikel 55 van de wet, artikel 37 van de IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende nakomt, wordt overeenkomstig deze verordening de hoogte van de bijstand afgestemd op deze gedraging. 2.. Verlaging van de bijstand wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin belanghebbende de gedraging kan worden verweten. 3.. In het besluit tot afstemming van de bijstand wordt in ieder geval vermeld: de reden van de afstemming; de duur van de afstemming; de ingangsdatum van de afstemming; het percentage of het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd; en de reden om af te wijken van een standaardverlaging, indien van toepassing. 4.. In afwijking van het eerste lid ziet het college ziet af van afstemming van de bijstand indien de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden. 5.. Het college kan afzien van het afstemmen van de bijstand indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 6.. Indien het college afziet van afstemming op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel