Bijlage 1: Financiële gegevens

1. Hulp bij het huishouden

  • - Vaststelling PGB
  • - Het persoonsgebonden budget ten aanzien van hulp in de huishouding is als volgt vastgesteld:
    • - Er wordt een bruto bedrag per uur beschikbaar gesteld van € 15,52 welk bedrag 75 % is van het bedrag zoals de kosten van hulp bij de huishouding in natura bedragen daar waar het alleen schoonmaakwerkzaamheden betreft.
    • - Er wordt een bruto bedrag per uur beschikbaar gesteld van € 17,78 welk bedrag 75 % is van het bedrag zoals de kosten van hulp bij de huishouding in natura bedragen daar waar het schoonmaakwerkzaamheden met lichte ondersteuning in de huishouding betreft.
    • - Er wordt een bruto bedrag per uur beschikbaar gesteld van € 21,18 welk bedrag 75 % is van het bedrag zoals de kosten van hulp bij de huishouding in natura bedragen daar waar het schoonmaakwerkzaamheden met ondersteuning in een ontregelde huishouding betreft.
  • - Het persoonsgebonden budget moet ‘vergelijkbaar’ zijn aan de verstrekking in natura. Door een besparing op overheadkosten komt 75% overeen met de kosten voor gemiddelde vergelijkbare zorg in natura. Pgb-houders kunnen (gratis) gebruik maken van de diensten van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voor salarisadministratie overige ondersteuning.
  • - Betaalschema PGB
  • - Het bruto PGB wordt periodiek vooraf uitbetaald, volgens onderstaand schema.
    • - Tot € 2.500 op jaarbasis in een keer.
    • - Tussen € 2.500 en € 5.000 op jaarbasis per half jaar.
    • - Tussen € 5.000 en € 25.000 op jaarbasis per kwartaal.
    • - Boven € 25.000 op jaarbasis maandelijks

2. Woonvoorzieningen

1. PGB

De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een niet bouwkundige of woontechnische woonvoorziening is gelijk aan de door het college goedgekeurde offerte, eventueel verhoogd met instandhoudingkosten bedoeld voor reparatie en onderhoud van de desbetreffende voorziening.

Indien de gemeente een onderhoudscontract met een voorkeursleverancier heeft afgesloten voor de levering van onderhoud en reparatie gelden de prijzen uit het desbetreffende onderhoudscontract - exclusief eventueel bedongen korting - als uitgangpunt.

Voor PGB verstrekkingen van bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen wordt verwezen naar paragraaf 3.2.3.

2. Natura verstrekking

Indien een voorziening in bruikleen wordt verstrekt zal betaling rechtstreeks met de desbetreffende leverancier worden verrekend.

Bij de verstrekkingen van bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen is een uitzondering van toepassing. Bouwkundige of woontechnische kunnen gezien hun aard niet in natura worden verstrekt. De aanpassingen bestaan immers uit een combinatie van goederen en diensten (kosten voorziening en arbeidsloon). Verstrekkingen van bouwkundige of woontechnische woonvoorzieningen vinden daarmee altijd in de vorm van een financiële tegemoetkoming plaats.

De financiële tegemoetkoming voor een bouwkundige woonvoorziening wordt betaald aan de eigenaar van de woning en bedraagt maximaal 100% van de goedgekeurde offertekosten.

Immers de wet vereist dat de aanpassing van de woning aan de eigenaar van de woning wordt verstrekt. Op de aanvrager kan echter de situatie eigenaar-plus-bewoner en de situatie (woningcorporatie/ particulier) huurder-plus-bewoner van toepassing zijn.

Dit betekent dat in de situatie eigenaar-plus-bewoner de financiële tegemoetkoming uitgekeerd wordt aan de bewoner zelf om hiermee zijn/ haar problemen te compenseren. Hier kan het eigen aandeel worden gehanteerd, en dit kan voor max. 39 perioden want het betreft een eigendomsverstrekking. Maar, in de situatie (woningcorporatie / particulier) huurder-plus-bewoner wordt de financiële tegemoetkoming uitgekeerd aan de woningcorporatie of particuliere verhuurder, deze draagt er vervolgens zorg dat de bewoner de compensatie in natura ontvangt. Er is daarom in deze situatie sprake van een eigen aandeel maar van een eigen bijdrage. En omdat er geen sprake is van een eigendomsverstrekking aan de bewoner kan in principe, juridisch gezien, een eigen bijdrage worden gevraagd zolang de voorziening duurt en de kostprijs niet bereikt is.

Indien de geschatte aanpaskosten het bedrag van € 6.807,00 passeert dienen minimaal drie offertes (gesplitst in kosten van volumes/onderdelen, gebruikte materialen en arbeid) te worden aangevraagd.

Daarbij geldt voor bouwkundige of woontechnische voorzieningen voor het bezoek- en logeerbaar maken van een woning een maximum van € 6.807,00 voor het bezoekbaar maken van een woning.

3. Onderhoud en reparatie van woonvoorzieningen

De vergoeding bedraagt 100% van de werkelijke kosten en wordt uitsluitend verstrekt voor de onderstaande voorzieningen voor zover binnen deze regeling verstrekt en (nog) noodzakelijk geacht:

  • - alle vormen van hef- en trapliften
  • - patiententilliften
  • - mechanisme voor een hoog / laag verstelbaar keukenblok
  • - elektromechanische openings - en sluitingsmechanisme van deuren
  • - intercom met elektrische slotplaat
  • - onderspoeling- en föhninrichting

Indien de gemeente een onderhoudscontract met een voorkeursleverancier heeft afgesloten voor de levering van onderhoud en reparatie gelden de prijzen uit het desbetreffende onderhoudscontract - exclusies eventueel bedongen korting - als uitgangpunt.

4. Het primaat van de verhuizing

De maximale vergoeding voor verhuiskosten op declaratiebasis bedraagt € 2.654.=. Uitbetaling vindt plaats na ontvangst van een kopie van het definitieve huur- of koopcontract.

5. Saneren van de woning

Voor vervanging vloerbedekking niet ouder dan 7 jaar bedraagt de financiële tegemoetkoming maximaal € 35,00 m2 (inclusief arbeid, noodzakelijke materialen en BTW).

6. Huurderving

Huurderving op basis van de werkelijke kosten, gedurende maximaal 6 maanden met een maximum van 100% van de maximale

huur, waarbij Huurtoeslag wordt verstrekt.

Tijdelijke huisvesting (gedurende maximaal 6 maanden)

  • - Maximaal € 685,00 per maand bij zelfstandige woonruimte.
  • - Maximaal € 342,00 per maand bij niet-zelfstandige woonruimte.

7. Meerwaarde bij verkoop

Indien een woningaanpassing tot meerwaarde van de woning heeft geleid, en deze aangepaste woning wordt binnen 6 jaar verkocht dan geldt onderstaand teruggestort schema:

  • - voor het eerste jaar 100 % van de meerwaarde;
  • - voor het tweede jaar 80 % van de meerwaarde;
  • - voor het derde jaar 70 % van de meerwaarde;
  • - voor het vierde jaar 60 % van de meerwaarde;
  • - voor het vijfde jaar 40% van de meerwaarde;
  • - voor het zesde jaar 20 % van de meerwaarde.

3. Vervoersvoorzieningen

1. Collectief vervoer (primaat)

Deze voorziening bestaat uit een regiotaxipas waarmee tegen gereduceerd tarief maximaal 1500 km per jaar kan worden gereisd.

Tegemoetkoming in het gebruik van een collectief vervoerssysteem vanuit een AWBZ-erkende instelling:

De tegemoetkoming bedraagt niet meer dan de werkelijke kosten van het vervoer, en maximaal

50% van de kosten die de gemeente bijdraagt voor het gebruik van de Regiotaxi door zelfstandig wonende mensen met een beperking.

2 Berekening forfaitaire tegemoetkoming voor vervoer

Voor gebruik van eigen auto, taxi en rolstoeltaxi zijn normbedragen op jaarbasis vastgesteld. Op de norm wordt een korting toegepast op grond van verblijf in een AWBZ-instelling, een samenvallende vervoersbehoefte, een beperkte vervoersbehoefte of andere aanwezige vervoersvoorzieningen.

2.1 100% voor 12-jarigen en ouder

Individueel taxivervoer (1500 km x € 1,72) per jaar € 2.850,=.

Individueel rolstoeltaxivervoer (1500 km x € 1,97) per jaar € 2.955,=.

(Bruikleen)autokostenvergoeding (1500 km x € 0,34) per jaar € 510,=.

2.2 75% voor 4 tot 12-jarigen

Individueel taxivervoer per jaar € 2.138,=.

Individueel rolstoeltaxivervoer per jaar € 2.216,=.

(Bruikleen)autokostenvergoeding per jaar € 383,=.

2.3 75% p.p. voor echtparen die beiden zijn geïndiceerd

Individueel taxivervoer per jaar € 2.138,=.

Individueel rolstoeltaxivervoer per jaar € 2.216,=.

(Bruikleen)autokostenvergoeding per jaar € 383,=.

2.4 25% aanvullend op andere aanwezige vervoersvoorzieningen

Individueel taxivervoer per jaar € 713,=.

Individueel rolstoeltaxivervoer per jaar € 739,=.

2.5 50% voor bewoners van AWBZ-instellingen

Individueel taxivervoer per jaar € 1.425,=.

Individueel rolstoeltaxivervoer per jaar € 1.478,=.

Bruikleenautobudget per jaar € 255,=.

Bewoners van een AWBZ-instelling hebben over het algemeen een lagere vervoersbehoefte dan zelfstandig wonenden, omdat zij bijvoorbeeld niet of in mindere mate boodschappen hoeven te doen, omdat de instelling de maaltijden bereidt. Bovendien geldt dat een aantal 'bestemmingen in het kader van het leven van alledag' vervallen, omdat daarin op andere wijze wordt voorzien. Ook sommige gezamenlijke sociale activiteiten waarvoor vervoer nodig is, worden vanuit de AWBZ-instelling georganiseerd, inclusief vervoer. Met deze verminderde vervoersbehoefte wordt bij de beoordeling van aanvragen voor vervoersvoorzieningen dan ook rekening gehouden. Daarom is de vergoeding maximaal 50% van de maximale forfaitaire tegemoetkoming. Indien er sprake is van een zeer beperkte vervoersbehoefte wordt de vergoeding met 75% gekort.

3. Rij- en gewenningslessen

Voor reiskosten in verband met de rij-, gewenningslessen voor vervoersvoorzieningen geldt een vergoeding van € 0,34 per kilometer gerekend over de kortste route.

4. Vervoersvoorzieningen in natura (VIN)

Indien de voorziening in bruikleen wordt verstrekt zal betaling rechtstreeks met de desbetreffende leverancier worden verrekend.

5. Aanpassingskosten van de eigen auto

De afschrijvingstermijn van de voorziening is ten miste zeven jaar. Behoudens overzetbare voorzieningen wordt deze voorziening daarom slechts toegekend indien de aan te passen auto niet ouder is dan drie jaar. De kosten van de noodzakelijke aanpassingen worden gebaseerd op de goedkoopst aanpasbare auto, de opties m.b.t. de uitrusting van de auto (zoals automatische transmissie, stuurbekrachtiging, airco, etc.) zijn van vergoeding uitgesloten.

6. PGB

De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een vervoersvoorziening is gelijk aan de door het college goedgekeurde offerte voor de desbetreffende voorziening.

7. Betaalschema PGB en forfaitaire tegemoetkoming

  • - Forfaitaire vervoerstegemoetkoming per kwartaal.
  • - Onderhoud, keuring en reparatie per jaar.
  • - Overige vervoersvoorzieningen in een keer bij aanschaf, per maand bij huur.
  • - Onderhoud, keuring en reparatie per jaar.
  • - Overige voorzieningen in een keer bij aanschaf, per maand bij huur.

4. Rolstoelen

1. PGB

De hoogte van het persoonsgebonden budget voor aanschaf van een rolstoel is gelijk aan de

kostprijs van de goedkoopst compenserende rolstoel, zo nodig verhoogd met kosten van individuele aanpassingen, zoals deze door de gemeente kan worden aangeschaft bij de gecontracteerde leverancier.

Het PGB wordt na ontvangst van de factuur en betalingsbewijs ineens betaald aan de

Budgethouder, daarnaast wordt een PGB voor instandhoudingkosten per jaar toegekend zolang de technische levensduur van de voorziening niet is verstreken en de kosten niet vallen onder

garantiebepalingen van de leverancier.

2. Natura verstrekking

Indien de voorziening in bruikleen wordt verstrekt zal betaling rechtstreeks met de desbetreffende leverancier worden verrekend.

5. Sport

Voor sportvoorzieningen geldt een bevoorschotting voor onderhoud keuring en reparatie plus overige voorzieningen in een keer per (ten minste) 3 jaar.

Sportvoorzieningen worden uitsluitend verstrekt als financiële tegemoetkoming in de kosten van aanschaf en onderhoud en bedraagt maximaal € 3.085,00, welk bedrag bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf (maximaal

€ 2.400,00) en onderhoud (€ 685,00) van een sportrolstoel of vergelijkbare voorziening voor een periode van ten minste 3 jaar.

6. Eigen bijdrage/eigen aandeel

1. Voor alle vervoers- en woonvoorzieningen en hulp bij het huishouden wordt een eigen bijdrage of eigen aandeel gevraagd.

2. In de wet is bepaald dat bewoners van verpleeg- of verzorgingshuizen en hun partner geen eigen bijdrage voor Wmo-voorzieningen hoeven te betalen. Dit geldt ook voor kinderen tot 18 jaar. Verder wordt voor rolstoelen geen eigen bijdrage gevraagd.

3. Bij de berekening van de eigen bijdrage is het (gezamenlijk) verzamelinkomen over de twee jaar voorafgaand aan de heffing leidend. Bij de berekening van de maximale periodebijdrage wordt daarbij gekeken naar de samenstelling van het huishouden en de leeftijd.

  • - Het bedrag dat ongehuwde personen jonger dan 65 dienen te betalen bedraagt € 17,80 per vier weken, terwijl het percentage van het inkomen boven € 22.636,00 dat boven dit bedrag per vier weken betaald moet worden 15 % bedraagt.
  • - Het bedrag dat ongehuwde personen van 65 jaar of ouder dienen te betalen bedraagt € 17,80 per vier weken, terwijl het percentage van het inkomen boven € 15.838,00 dat boven dit bedrag per vier weken betaald moet worden 15 % bedraagt.
  • - Het bedrag per vier weken dat gehuwde personen indien een van beiden jonger is dan 65 jaar dienen te betalen bedraagt € 25,40 per vier weken, terwijl het percentage van het inkomen boven € 27.902,00 dat boven dit bedrag per vier weken betaald moet worden 15 % bedraagt.
  • - Het bedrag per vier weken dat gehuwde personen die beiden 65 jaar of ouder zijn dienen te betalen bedraagt € 25,40 per vier weken, terwijl het percentage van het inkomen boven € 22.100,00 dat boven dit bedrag per vier weken betaald moet worden 15 % bedraagt.

De eigen bijdrage of het eigen aandeel over een periode van 4 weken is gelijk aan de wettelijke ‘Maximale periodebijdrage’ in die periode tenzij deze hoger is dan de ‘Kosten van de voorziening per 4 weken’ in die periode. In dat geval is de eigen bijdrage of het eigen aandeel gelijk aan de ‘Kosten van de voorziening per 4 weken’.

4. Hulp bij het huishouden (VIN)

Voor hulp bij het huishouden huishoudelijke hulp in natura wordt een eigen bijdrage opgelegd zolang de huishoudelijke hulp wordt verstrekt. De ‘Kosten van de voorziening per 4 weken’ worden als volgt vastgesteld:

Het aantal uren ontvangen zorg in die 4 weken, vermenigvuldigd met het maximale uurtarief dat de gemeente Leusden aan de gecontracteerde zorgaanbieder betaalt.

5. Hulp bij het huishouden (PGB)

Voor huishoudelijke hulp in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt een eigen bijdrage opgelegd zolang het periodieke persoonsgebonden budget wordt verstrekt. De ‘Kosten van de voorziening per 4 weken’ worden als volgt vastgesteld:

De hoogte van het periodieke persoonsgebonden budget omgerekend naar het bedrag per periode van 4 weken.

6. Voorzieningen in eigendom

Voor voorzieningen die verstrekt worden in eigendom wordt een eigen bijdrage opgelegd gedurende 39 periodes van 4 weken (3 jaar). De ‘Kosten van de voorziening per 4 weken’ worden als volgt vastgesteld:

De aanschafprijs van de voorziening, gedeeld door 39 periodes van 4 weken.

7. Voorzieningen in bruikleen

Voor voorzieningen die in bruikleen worden verstrekt wordt een eigen bijdrage opgelegd zolang de voorziening gebruikt wordt. De ‘Kosten van de voorziening per 4 weken’ worden als volgt vastgesteld:

Degefactureerde prijs / kostprijs(aanschaf, accessoires, onderhoud) voor de voorzieningensoort gedeeld door de gemiddelde levensduur van de voorzieningensoort, omgerekend naar een bedrag per 4 weken.

8. Voorzieningen middels een PGB

Indien gekozen wordt voor een eenmalig persoonsgebonden budget in plaats van een voorziening in bruikleen, wordt een eigen bijdrage opgelegd gedurende een periode die overeenkomt met de gemiddelde levensduur van de voorzieningensoort waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. De ‘Kosten van de voorziening per 4 weken’ worden als volgt vastgesteld:

Het eenmalige persoonsgebonden budget bedrag gedeeld door het aantal periodes van 4 weken waarover de eigen bijdrage verschuldigd is.

7. Norminkomen

In de Verordening voorzieningen Wmo Leusden 2012 en/of in de beleidsregels voorzieningen Wmo wordt nochtans voor verschillende voorzieningen een grens gesteld voor wat betreft het inkomen. Het norminkomen is het rekeninkomen ten hoogte van de op het moment van het aanvragen van een voorziening geldende norm van de Wet werk en bijstand. 1,5 maal de norm wordt vastgesteld als bovengrens.

Op 19 december 2011 en op 19 januari 2012 heeft de Centrale Raad van Beroep twee uitspraken gedaan in de casussen van de gemeente Edam-Volendam) en de gemeente Dongen (LJN BV1309). De Centrale Raad heeft uitgesproken dat artikel 4 lid 2 van de Wmo geen ruimte biedt om naast of in plaats van de eigen bijdrage-regeling van artikel 15 nog andere financiële voorwaarden, zoals een besparingsbijdrage, op te leggen.

Het toepassen van een norminkomen wordt daarmee door het college opgeschort.