1. De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd
gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, een bestemmingsplan vast als
bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.
2. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd
gemeentelijk stads- of dorpsgezicht bepaalt de gemeenteraad of en in
hoeverre een geldend bestemmingsplan als beschermend plan in de zin van
het eerste lid kan worden aangemerkt.
3. Het college hoort de monumentencommissie inzake een
raadsvoorstel tot vaststelling van een bestemmingsplan bedoeld in het
eerste lid.
4. De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht
weken na de dag van ontvangst van het verzoek van het college.