1. Het is verboden bouwwerken die zijn gelegen in een
beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht te beschadigen of te
vernielen.
2. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning
van het college of in strijd met de bij de vergunning gestelde
voorwaarden een bouwwerk in een beschermd gemeentelijke stads- en
dorpsgezicht:
a. te verstoren, te plaatsen, op te richten, geheel of
gedeeltelijk af te breken, te verplaatsen of in enig opzicht te
wijzigen;
b. een bouwwerk te herstellen, te gebruiken of te laten
gebruiken op een wijze waardoor het stads-en dorpsgezicht wordt ontsierd
of in gevaar gebracht;
c. onroerende zaken, geen bouwwerk zijnde, hieronder begrepen
straten, wegen, pleinen, wateren en erfafscheidingen -niet zijnde een
bouwwerk- te wijzigen.
3. In een gebied dat is aangewezen als een beschermd
gemeentelijk stads- of dorpsgezicht en waarvoor nog geen beschermend
bestemmingsplan als bedoeld in artikel 21, eerste lid onherroepelijk is
geworden, is het verboden bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te
richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen zonder vergunning
van het college; het verbod als bedoeld in artikel 22, tweede lid is van
overeenkomstige toepassing.
4. Ingeval van gehele of gedeeltelijke afbraak als bedoeld in
het tweede lid, kan de vergunning worden geweigerd, wanneer onvoldoende
is verzekerd dat vervangende nieuwbouw past in de karakteristiek van het
beschermde stads- of dorpsgezicht.
5. Er is geen vergunning vereist voor het afbreken ingevolge
een aanschrijving van het bevoegd gezag;
6. Op de behandeling van aanvragen om een vergunning zijn de
artikelen 13 tot en met 16 van overeenkomstige toepassing.