Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 7

- Criteria ontheffing tot arbeidsplicht

Onderdeel van Re-integratieverordening 2009

1.. Het college kan, met inachtneming van artikel 9 tweede en vierde lid en artikel 9a van de WWB en artikel 37a en 38 van de Ioaw en Ioaz, bepalen dat aan de uitkeringsgerechtigde, geheel of gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van de in artikel 6 eerste lid en tweede lid van deze verordening genoemde verplichtingen. 2.. Bij de bepaling van “dringende redenen” als rechtsgrond voor een gehele of gedeeltelijke ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9 tweede lid WWB, dient het college aan te geven in hoeverre sociale, medische of psychische aspecten een belemmering vormen voor de nakoming door de uitkeringsgerechtigde van de plicht tot arbeidsinschakeling. Bij de beoordeling hiervan kan het college een deskundigenadvies inwinnen. 3.. Een uitkeringsgerechtigde van 57½ jaar of ouder wordt ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling indien het college uit een individuele beoordeling concludeert dat de afstand tot de arbeidsmarkt niet meer te overbruggen is. 4.. Voor alle uitkeringsgerechtigden geldt dat de ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling voor een door het college vast te stellen periode van ten hoogste 12 maanden wordt verleend. 5.. Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen. De verlening wordt voor een door het college vast te stellen periode van ten hoogste 12 maanden verleend. 6.. Het college kan in beleidsregels nadere criteria voor ontheffing vaststellen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel