**1..** Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
college, zijn ambtenaren of andere personen namens het college,
onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18 lid 2 WWB, artikel
20 lid 2 IOAW en artikel 20 lid 1 IOAZ, wordt onverminderd artikel 2
lid 2, een maatregel opgelegd van minimaal twintig procent van de
uitkeringsuitkeringsnorm gedurende een maand.
**2..** De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als
verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5 lid 2.
**3..** Het college kan bij een derde en volgende verwijtbare gedraging als
bedoeld in dit artikel binnen twaalf maanden na de laatste als
verwijtbaar aangemerkte gedraging de hoogte en de duur van de
verlaging individueel bepalen, rekening houdend met de ernst van de
gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
omstandigheden van de belanghebbende.
Paragraaf 5 Handhaving
Paragraaf 4
Artikel 14
Zeer ernstige misdragingen
Onderdeel van Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ