Voor zover de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, kan daarvoor aan de subsidieontvanger een vergoedingsplicht worden opgelegd in de gevallen omschreven in het derde lid.
De vergoeding als bedoeld in het vorige lid kan slechts worden verlangd indien dit bij de subsidieverlening is bepaald en daarbij is aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.
De vergoedingsplicht kan worden opgelegd indien:
de subsidieontvanger voor het verrichten van de gesubsidieerde activiteit gebruikte of bestemde zaken vervreemdt of de bestemming daarvan wijzigt;
de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor het verrichten van de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde zaken;
de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;
de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of
de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden,
De vergoeding wordt vastgesteld binnen een jaar nadat het bestuursorgaan op de hoogte is gekomen of kon zijn van de gebeurtenis die het recht op vergoeding deed ontstaan.
Hoofdstuk 4
Artikel 4.2
Vermogensvorming.
Onderdeel van Subsidieverordening maatschappelijk en sociaal cultureel welzijnswerk