1.Algemeen

De meeste bestemmingsplannen voorzien niet in de mogelijkheid om antenne-installaties op te richten. Wel kan via een afwijking van het bestemmingsplan medewerking worden verleend aan de bouw van een antenne installatie. Om ad-hoc beslissingen te voorkomen heeft de gemeente Berkelland antennebeleid vastgesteld (mei 2008). In het beleid staan criteria die toegepast worden bij het verlenen van een afwijking van het bestemmingsplan. Dit vergroot de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van burgers. Bovendien geeft het een goed toetsingskader voor nieuwe aanvragen. Door de komst van de Wabo moet het beleid worden geactualiseerd. De beleidsuitgangspunten zijn niet gewijzigd. De enige inhoudelijk wijziging betreft de communicatie. Omwonende van een aanvraag om antenne installatie worden nu door ons geïnformeerd.

2.Inspraak

Het college heeft op 17 juli 2012 ingestemd met de actualisering van het beleid. Het ontwerpbeleid heeft van 19 september tot en met 30 oktober 2012 ter inzage gelegen. Tegen het ontwerpbeleid zijn 4 inspraakreacties ingediend door:

1.Mevrouw M.M.H. Esvelt en de heer B.H. Wormgoor, Kerkplein 14, 7261 AZ Ruurlo, mail van 29 oktober 2012;

2.De heer H.J. Webbink, Vlierbes 9, 7261 HL Ruurlo;

3.Mevrouw A. Lentjes-Hoen en de heer P. Lentjes, Eikenlaan 8, 7261 BD Ruurlo;

4.Familie J.E. van der Lans-Kortenhoff, Trekkersweg 3, 7263 ST Mariënvelde.

Hieronder worden de inspraakreacties vermeld en vervolgens een antwoord gegeven. Daarbij opgemerkt dat de inspraakreacties 1 t/m 3 identiek zijn en wij daar in een keer op reageren.

Inspraakreacties 1 t/ 3

A. Wij concluderen dan ook, dat juist het plaatsen van antenne-installaties zich niet met het Europees Verdrag verdraagt. Dit in tegenstelling tot uw beleidsnotitie waarin juist het tegenovergestelde wordt beweerd.

Reactie gemeente

Een oorzakelijk verband tussen de blootstelling aan elektromagnetische velden enerzijds en de vermindering van het welbevinden en schade aan de gezondheid anderzijds is nog steeds niet vastgesteld. Hierdoor is naar onze mening geen sprake van schendig van het Europees Verdrag.

B. Wij concluderen dat alleen de thermische effecten van EMV worden meegenomen bij de afweging tussen volksgezondheid en andere belangen, terwijl er inmiddels voldoende aanwijzingen zijn dat niet-thermische effecten van EMV een belangrijk risico voor de volksgezondheid vormen. Daarom kan geconcludeerd worden, dat er in het Nationaal Antennebeleid geen evenwichtige afweging gemaakt is tussen de belangen van volksgezondheid en andere belangen.

Reactie gemeente

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft op verzoek van de Raad van State, afdeling Bestuursrechtspraak (hierna: Afdeling) in de uitspraak van 14 januari 2009 in de zaak nr. 200800497/1 een deskundigenbericht uitgebracht. In dat deskundigenbericht is vermeld dat uit wereldwijde onderzoeken naar de effecten van radiofrequente elektromagnetische velden blijkt dat radiofrequente elektromagnetische velden een nadelig gezondheidseffect kunnen hebben. Bij deze onderzoeken word onderscheid gemaakt tussen thermische effecten, te weten opwarming, en effecten door geïnduceerde stroom, te weten stimulering van spieren en zenuwen door elektrische stroompjes. Voor deze effecten zijn blootstellingslimieten opgesteld. Wat betreft de effecten op de korte termijn wordt in deze onderzoeken geconcludeerd dat deze niveaus in de woon- en leefomgeving zo goed als nooit voorkomen. Wat betreft de lange termijn wordt in de onderzoeken geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn dat radiofrequente elektromagnetische velden kanker of andere langetermijneffecten kunnen veroorzaken. Wel zijn er volgens dit bericht wetenschappelijke onzekerheden over de eventuele invloed van het gewijzigde blootstellingspatroon door sterk toegenomen gebruik van met name mobiele telefonie en de daarmee gepaard gaande GSM- en UMTS-basisstations en over de betekenis van de rapportage van, soms ernstige, gezondheidsklachten. In het deskundigenbericht wordt vermeld dat deze onzekerheden voor de rijksoverheid aanleiding zijn geweest om een onderzoeksprogramma te starten en dat de Gezondheidsraad hierover een advies heeft uitgebracht met aanbevelingen voor nader onderzoek en het opzetten van een kennis- en onderzoekscentrum. De overheid heeft echter volgens dit bericht nog geen aanleiding gezien om op grond van het voorzorgbeginsel een lagere grenswaarde vast te stellen voor radiofrequente elektromagnetische velden.

Ook staat in het deskundigenbericht dat de Wereldgezondheidsorganisatie en de Internationale Commissie voor Bescherming tegen Niet-Ioniserende Straling en de Gezondheidsraad nauwgezet alle publicaties volgen en beoordelen, en mede op basis daarvan tot genoemde standpunten zijn gekomen.

Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat de Gezondheidsraad in het rapport "Elektromagnetische velden, jaarbericht 2008" van maart 2009, waarin uitdrukkelijk is weergegeven hoe de commissie Elektromagnetische velden van de Gezondheidsraad wetenschappelijke gegevens beoordeelt, heeft vermeld dat volgens de commissie Elektromagnetische velden in onderzoeken weliswaar enkele effecten zijn gevonden op hersenfuncties, maar er geen aanwijzingen zijn dat deze duiden op, of kunnen leiden tot gezondheidseffecten. Voorts concludeert de commissie dat het aantal mensen dat een grote verscheidenheid aan gezondheidsklachten toeschrijft aan allerlei bronnen van elektromagnetische velden lijkt toe te nemen, maar het beeld dat uit wetenschappelijk gegevens naar voren komt is dat er geen oorzakelijk verband is tussen blootstelling aan radiofrequente elektromagnetische velden en het optreden van lichamelijke onverklaarbare klachten. Wel is er, aldus het jaarbericht, een verband tussen de klachten en de veronderstelling blootgesteld te worden.

De Afdeling heeft hierbij tevens in aanmerking genomen het Fact sheet N°193 van juni 2011 van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Daarin is vermeld dat gegeven het grote aantal gebruikers van mobiele telefoons het belangrijk is om mogelijke invloed op de gezondheid te onderzoeken, te begrijpen en te monitoren. Volgens de Wereld Gezondheidsorganisatie is een groot aantal onderzoeken verricht over de laatste twee decennia om te beoordelen of mobiele telefoons een mogelijk gezondheidsrisico vormen. Tot op heden zijn geen nadelige effecten op de gezondheid vastgesteld die zijn veroorzaakt door mobiele telefoons.

Gelet op het voorgaande, heeft de Afdeling gemeend dat gemeente in alle redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij het standpunt van de Gezondheidsraad en de regering dat de voorhanden zijnde onderzoeken thans geen aanleiding geven om te oordelen dat UMTS-masten niet mogen worden geplaatst. De Afdeling heeft het standpunt nog eens bevestigd in onder andere de uitspraak van 24 augustus 2011 met zaaknummer 201101494/1/H1. Wij zien dan ook geen aanleiding om daarin een ander standpunt in te nemen.

C. Wij concluderen dat het beleidsplan ten onrechte beweert, dat alleen de thermische effecten van niet-ionserende straling DNA schade kan veroorzaken. DNA schade kan bij niet-ionserende straling wel degelijk optreden, zonder dat er sprake is van thermische reactie.

Reactie gemeente

Hiervoor verwijzen wij naar onze reactie onder B.

D. Wij concluderen dat er voldoende bewijs is om in ieder geval het voorzorgsprincipe te hanteren, ook al is dit bewijs volgens de Gezondheidsraad niet overtuigend. In het verleden is ook bij onderzoeken naar schadelijkheid van roken, asbest en bestrijdingsmiddelen vele decennia geroepen dat er geen overtuigend bewijs was voor negatieve gezondheidseffecten. Dit heeft veel onnodige slachtoffers gemaakt. Waarschijnlijk heeft dit te maken gehad met de economische belangen van de industrie.

Reactie gemeente

'Goed onderzoek' wil zeggen dat een onderzoek op zo’n manier is opgezet en uitgevoerd dat de resultaten ervan betrouwbaar genoemd kunnen worden.

Dit houdt niet alleen in dat herhalingsonderzoek dezelfde resultaten moet opleveren. Bij onderzoek naar de gezondheidseffecten van elektromagnetische velden is het bijvoorbeeld belangrijk dat de onderzoeksgroep representatief is, en dat wordt uitgesloten dat eventuele externe factoren van invloed zijn op de resultaten. Ook is het belangrijk om na te gaan of de onderzoeksmethode die wordt gebruikt de beste resultaten oplevert.

De meningen over wanneer een onderzoek goed genoemd kan worden, verschillen nogal. Bij vrijwel ieder onderzoek zijn kanttekeningen te plaatsen, de een zwaarder wegend dan de ander. Daarbij is specifieke kennis op allerlei verschillende terreinen een vereiste om te kunnen bepalen of onderzoek goed of niet goed is.

Toch is er één criterium waarover de meeste wetenschappers het eens zijn: als een onderzoek in een toonaangevend peer-reviewed tijdschrift (een tijdschrift voor vakgenoten) wordt beschreven, voldoet het aan een belangrijke kwaliteitseis. Voordat een onderzoek in een peer-reviewed tijdschrift verschijnt, wordt deze namelijk door een team van experts (peers) goedgekeurd. Hoe hoger het tijdschrift wordt gewaardeerd, des te betrouwbaarder zijn de resultaten van het onderzoek. De Gezondheidsraad stelt zelf dan ook geen zeer hoge eisen bij het beoordelen van onderzoeken die gezondheidseffecten aantonen. Zij volgt daarin de algemeen aanvaarde standaard waarin een onderzoek goed genoemd kan worden zoals hiervoor beschreven. Wij hebben geen reden om hier aan te twijfel zoals ook al in meerdere gerechtelijke uitspraken is bevestigd.

Verder is het voorzorgsprincipe een principe uit de Europese milieuwetgeving en geldt ook in Nederland. Het moet worden toegepast als er sterke aanwijzingen zijn dat een ingreep, bijvoorbeeld het plaatsen van antenne-installaties, ernstige effecten heeft op het milieu of onze gezondheid. Zolang de blootstellingslimieten niet worden overschreden, zijn er geen aanwijzingen dat de elektromagnetische velden van antenne-installaties ernstige effecten op de gezondheid hebben. Daarom wordt het voorzorgsprincipe bij antenne-installaties niet gehanteerd.

E. Onze conclusie is dat het Antenneconvenant uitgaat van sterk verouderde blootstellinglimieten, die veel te hoog zijn en wel degelijk gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Hierdoor zijn de gemiddelde veldsterktes die in Nederland gemeenten zijn veel te hoog en zullen waarschijnlijk nog wel hoger worden als het aantal zendmasten toeneemt.

Reactie gemeente

Nederland hanteert de blootstellingslimieten die in 1999 door de Raad van Europa zijn aanbevolen. Dit zijn de ICNIRP-limieten. Wij hebben bij de punten A tot en met D al aangegeven dat een oorzakelijk verband tussen de blootstelling aan elektromagnetische velden enerzijds en de vermindering van het welbevinden en schade aan de gezondheid anderzijds nog steeds niet is vastgesteld. Ondanks dat er geen wetenschappelijke aanwijzingen zijn dat de veiligheidsfactor 50 van de ICNIRP-limiet niet voldoende is, zijn er een aantal landen die voor een hogere veiligheidsfactor kiezen. Voorbeelden zijn Italië waar bijvoorbeeld een limiet van 6 V/m geldt en België waar is voorgesteld om de limiet te verlagen naar 3 V/m. Overigens is de gemeten veldsterkte in onze leefomgeving in deze landen net zo hoog als in de landen die wel de ICNIRP-limieten hanteren.

F. Onze conclusie is dat de maatschappelijke onrust ten gevolge van plaatsing van antenne installaties op zeer reële gronden is gebaseerd en niet kan worden afgedaan als angst voor vreemde gezondheidsklachten.

Reactie gemeente

Wij begrijpen dat de plaatsing van een antenne-installatie onrust in de omgeving kan veroorzaken. Daarom hebben wij ook besloten om zelf de bewoners in de omgeving waarvoor een antenne-installatie is aangevraagd te informeren over de aanvraag en een informatieblad te verstrekken. Daarnaast zijn wij ons er ook van bewust dat er een mensen zijn die elektrogevoeligheid hebben en hierdoor gezondheidsproblemen ervaren. Een wetenschappelijk verband is zoals gezegd echter niet aangetoond.

Inspraakreacties 4

Houdt u aan het voorzorgsprincipe en verlaag juist de blootstellinglimieten.

Reactie gemeente

Het voorzorgsprincipe is een principe uit de Europese milieuwetgeving en geldt ook in Nederland. Het moet worden toegepast als er sterke aanwijzingen zijn dat een ingreep, bijvoorbeeld het plaatsen van antenne-installaties, ernstige effecten heeft op het milieu of onze gezondheid.

Zolang de blootstellingslimieten niet worden overschreden, zijn er geen aanwijzingen dat de elektromagnetische velden van antenne-installaties ernstige effecten op de gezondheid hebben. Daarom wordt het voorzorgsprincipe bij antenne-installaties niet gehanteerd.