lid 1 bepaalt dat het AB aan het hoofd staat van de Werkorganisatie. Lid 2 bevat een algemene bevoegdheidstoedeling aan het AB ten aanzien van alle bevoegdheden die in de regeling worden genoemd en niet uitdrukkelijk bij of krachtens de wet zijn toegekend aan het DB of de voorzitter. De in lid 3 genoemde bevoegdheden behoren in ieder geval aan het AB toe. Om de in sub d genoemde bevoegdheid tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen over te dragen aan het DB is een apart delegatiebesluit vereist. Lid 4 noemt de inhoudelijke beperkingen op de bevoegdheid van het AB tot het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen. Lid 5 stelt daarbij de formele vereiste van goedkeuring van zo een oprichting dan wel deelname door de gedeputeerde staten. Deze goedkeuring is vereist op grond van artikel 1, tweede lid van de Wgr, echter, het mag slechts geweigerd worden wegens strijd het recht of het algemeen belang.
Paragraaf 3 beschrijft de bevoegdheden van het DB. De bevoegdheidstoedeling vanuit het AB naar het DB geschiedt door middel van een apart delegatiebesluit om het DB in staat te stellen om diezelfde bevoegdheden uit te oefenen die het college binnen een gemeente uitoefent.
Paragraaf 4 beschrijft de bevoegdheden van de voorzitter.
Hoofdstuk 4: › Paragraaf 1
Artikel 24