Een gehandicapte kan voor een vervoersvoorziening als in artikel 3.1. lid 1 onder a. vermeld in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek
het gebruik van het openbaar vervoer of
het bereiken van dit openbaar vervoer onmogelijk maken.
Een gehandicapte kan voor een vervoersvoorziening als in artikel 3.1. lid 1 onder b. of c. vermeld in aanmerking worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in het eerste lid onmogelijk maken.
Voor de bij artikel 3.1. lid 1 onder b. sub 2, 3 en 4 en onder c. sub 5 genoemde voorzieningen geldt, in uitzondering op het gestelde in het vorige lid, dat zij ook in aanvulling op het gebruik van een collectief vervoersysteem verstrekt kunnen worden.
Bij het vaststellen van de hoogte van de vervoerskostenvergoeding als bedoeld in artikel 3.1. lid 1 onder c sub 2, 3 en 4 kan rekening worden gehouden met de individuele vervoersbehoefte van de gehandicapte en de mate waarin een collectief vervoersysteem als bedoeld in artikel 3.1 lid 1 onder a. in die vervoersbehoefte kan voorzien.
Voor zover de behoefte van echtgenoten niet samenvallen, wordt in het geval dat beide echtgenoten geïndiceerd zijn voor de voorziening als in artikel 3.1 lid 1 onder a. twee maal de voorziening toegekend; in de overige gevallen wordt niet meer dan anderhalf maal een enkele voorziening toegekend.
Ten behoeve van de tot een gezin behorende gehandicapt(e) kind(eren) kan een vervoerskostenvergoeding worden verstrekt die als volgt is vastgesteld: Voor kinderen in een leeftijd tot 4 jaar geen vergoeding; van 4 tot 12 jaar 50% van het normbedrag; van 12 tot 18 jaar het normbedrag.
Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de gehandicapte bezocht kan worden, terwijl het bezoek noodzakelijk is voor de gehandicapte om dreigende vereenzaming te voorkomen
Indien het inkomen zoals bedoeld onder artikel 1.1 onder b hoger is dan 1,5x het norminkomen, wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt in de kosten van vervoersvoorziening als bedoel in artikel 3.1 onder c sub 2 t/m 4, dan wel een vervoersvoorziening als bedoelt in artikel 3.1 onder b sub 1.