PARAGRAAF 1ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1Begripsbepalingen
Voor zover de in deze verordening gebruikte begrippen hieronder niet zijn
gedefinieerd, wordt verwezen naar hun begripsomschrijving in het
Binnenvaartpolitiereglement (BPR).
In deze verordening en de daarop berustende besluiten wordt verstaan onder:
ADN: Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van
gevaarlijke stoffen door de binnenvaart (ADN: Accord Européen
relatif au Transport International des Marchandises Dangereuses par
voie de Navigation).
afvalstoffen: scheepsafval, ladingresiduen, vloeibare of vaste
afvalstoffen die ontstaan bij het schoonmaken van een schip;
averijschip: een schip dat zelf ernstig gevaar, schade of hinder
oplevert, dan wel dat door zijn lading of de kwaliteit van zijn
bemanning in een zodanige toestand verkeert dat dit naar het oordeel
van de havenmeester een verhoogd risico kan opleveren voor het
gebied c.q. de ligplaats waarvoor toelating wordt gevraagd, dan wel
het nuttig gebruik van (een gedeelte van) de haven en haar
toegangswegen door de aanwezigheid van het betreffende schip niet in
voldoende mate mogelijk zal zijn;
bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te
water, niet zijnde een zee- of binnenschip, hoofdzakelijk gebruikt
als of bestemd voor de uitoefening van enig bedrijf of beroep;
bijlage: bij deze verordening behorende bijlage;
binnenschip: een schip, niet zijnde een zeeschip;
BPR: het Binnenvaartpolitiereglement;
brandbare vloeistoffen: vloeistoffen met een vlampunt dat lager ligt
dan of gelijk is aan 100 graden Celcius;
bunkeren: overslag van brandstofolie of smeerolie/-middelen van een
bunkerschip naar een zeeschip of binnenschip;
bunkerschip: tankschip gebruikt voor het bevoorraden van schepen met
brandstofolie en smeerolie/-middelen;
college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente
Den Helder;
directeur: de directeur van NV Port of Den Helder;
duwstel: een hecht samenstel van een of meer duwboten en een of meer
andersoortige schepen waarvan er tenminste één is geplaatst vóór een
van de duwboten;
exploitant: de eigenaar, reder, agent, (romp) bevrachter of ieder
ander die de zeggenschap heeft over het gebruik van het schip;
gevaarlijke stof: stoffen die gevaar voor explosie, brand, corrosie,
vergiftiging, bedwelming of straling kunnen opleveren, zoals vermeld
in de IMDG-code (International Maritime Dangerous Goods code),
de IBC-code (International Bulk Chemical-code), de IGC-code
(International Code for the Construction and Equipment of Ships
Carrying Liquid Gases in Bulk) of het ADN;
handel: het in de haven te koop aanbieden, verkopen of anderszins
vervreemden van enig goed, al dan niet met gebruikmaking van een
daartoe bestemd en tijdens genoemde handelingen aanwezig voer- of
vaartuig;
haven: het toepassingsgebied van deze verordening zoals omschreven
in artikel 1.2;
havenontvangstvoorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 6
eerste lid van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen;
havenmeester: degene die door de directeur als zodanig is
aangesteld;
kapitein: de gezagvoerder of schipper van een schip dan wel degene
die deze vervangt;
ligplaats: het gedeelte van de haven dat door de havenmeester aan
een schip wordt aangewezen om te bezetten, uitgedrukt in plaats,
lengte en breedte;
middel: een voertuig, waaronder een motorvoertuig, als mede
elke
voorziening, materialen of voorwerpen, bestemd voor, geschikt
voor of gebruikt voor enige werkzaamheid in de haven alsmede
een werk;
openbare haven- en kade-terreinen: alle binnen in de haven gelegen
en als zodanig door het college aangewezen, voor het publiek
(beperkt) toegankelijke terreinen;
parkeren: het gedurende meer dan zeven dagen ononderbroken zonder
laad- of loshandelingen uit te voeren, gemeerd laten liggen van een
schip. Onderbrekingen van minder dan 24 uur worden niet als
onderbreking gerekend;
rechthebbende: hij, die enig zeggenschap heeft over, gezag uitoefent
over, leiding geeft aan of in eigendom bezit of in beheer heeft of
krachtens enig zakelijk of persoonlijk recht de feitelijke macht
uitoefent over
a. een schip, of
b. middel.
Als rechthebbende in de zin van deze bepaling worden in ieder geval
aangemerkt:
a. kapitein;
b. schipper;
c. exploitant;
schadelijke stof: een stof, die indien zij in het water terecht
komt,gevaar kan opleveren voor de gezondheid van de mens, schade kan
toebrengen aan het mariene milieu, de recreatiemogelijkheden die de
zee biedt kan schaden of storend kan werken op enig ander rechtmatig
gebruik van de zee die bij of krachtens de Wet voorkoming
verontreiniging door schepen, is aangewezen en bekend gemaakt;
scheepswerf: een inrichting waarvan de hoofdactiviteit is gelegen in
het verrichten of het gelegenheid geven tot het verrichten van
werkzaamheden aan schepen en die beschikt over speciaal voor dat
doel bestemde en in gebruik zijnde ligplaatsen;
schip: elk voorwerp of samenstel van voorwerpen, bestemd voor,
geschikt voor of gebruikt voor het vervoer te water van goederen
en/of mensen. Als schip in de zin van deze bepaling worden in ieder
geval onder meer aangemerkt:
a.een watervliegtuig, een draagvleugelboot, een
luchtkussen-voertuig, een drijvende boorinstallatie, een
baggermolen, een drijvende kraan, een elevator en een ponton;
b. zeeschip;
c. binnenschip;
d. passagiersschip;
e. motorschip;
f. zeilschip;
g. bedrijfsvaartuig;
h. samenstel;
i. bijzonder transport;
j. duwstel;
k. bunkerschip;
l. tankschip;
m. recreatievaartuig;
n. pleziervaartuig;
schipper: degene die een binnenschip voert;
schoonmaken: elke handeling die gericht is op of verband houdt met
het gasvrij, droog- of schoonmaken van of aan boord van een schip;
tankschip: een zee- of binnenschip, dat is gebouw of is aangepast
voor het vervoer in bulk van vloeibare lading va ontvlambare
aard;
vlampunt: het vlampunt, bepaald met het toestel Pensky-Martens;
weg:
a. een weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet;
b.een weg als bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening;
werk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of
enig ander materiaal welke op de plaats van bestemming hetzij direct
of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
steun vindt in of op de grond;
Wvvs: de Wet voorkoming verontreiniging door schepen;
zeeschip: een schip dat gebruikt wordt voor de vaart ter zee of dat
blijkens zijn constructie voor de vaart ter zee is bestemd en elk
schip dat is voorzien van een document, afgegeven door het bevoegd
gezag van het land waar het schip is ingeschreven, waaruit blijkt
dat het geschikt is voor de vaart ter zee.
Artikel 1.2Toepassingsgebied
Deze verordening is van toepassing op de haven, zijnde het gebied in
eigendom, erfpacht of beheer bij NV Port of Den Helder, zoals dat op
de kaart als bijlage I is aangegeven.
Tot het gebied in de zin van deze bepaling worden in ieder geval
gerekend:
Industriehaven Westoever;
Het Nieuwe Diep en de daaraan gelegen openbare kaden;
Koopvaardersbinnenhaven;
loskade aan het Noord-Hollands Kanaal;
scheepshellingen, los- en laadplaatsen en alle kunstwerken
in beheer bij NV Port of Den Helder.
Deze verordening is van toepassing op de haven, onverminderd
de toepasselijke wetten of wettelijke voorschriften van andere
overheden voor zover daarin niet in hetzelfde onderwerp wordt
voorzien.
Debepalingen van de Algemene Plaatselijke Verordening zijn - voor
zover in deze en onderhavige verordeningter zake dezelfde
onderwerpen zijn geregeld - niet van toepassing op de haven.
Artikel 1.3 Aanvulling of afwijking van de Algemene wet
bestuursrecht
Naast of in afwijking van titel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht gelden
met betrekking tot toestemmingen bij of krachtens deze verordening de
bepalingen van deze paragraaf.
Artikel 1.4Vergunningen en ontheffingen in het algemeen
Een aanvraag om een vergunning, ontheffing of verlenging dient
schriftelijk te worden ingediend bij het college. Een aanvraag om
ontheffing of vergunning kan in spoedeisende gevallen mondeling bij
de havenmeester worden ingediend.
Ontheffingen worden verleend voor een eenmalige gedraging of
handeling.
Artikel 1.5 Beslistermijn
Het college besluit na ontvangst van een schriftelijke aanvraag
binnen acht weken.
Het college kan de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met
ten hoogste acht weken verlengen.
Artikel 1.6 Voorschriften en beperkingen
Het college kan een vergunning en een ontheffing verlenen en daaraan
voorschriften en beperkingen verbinden.
Artikel 1.7 Geldigheidsduur
Tenzij in deze verordening anders wordt bepaald, worden vergunningen
of ontheffingen verleend met een geldigheidsduur van ten hoogste
vijf jaar.
Indien een vergunning of ontheffing wordt verleend ter vervanging
van een voorgaande vergunning of ontheffing en indien de
geldigheidsduur van een vergunning of ontheffing wordt verlengd,
kunnen de beperkingen en voorschriften worden gewijzigd.
De verlening van een vergunning of ontheffing en de verlenging van
de geldigheidsduur geschieden schriftelijk.
Een ontheffing, die wordt verleend voor een eenmalige gedraging of
handeling, wordt verleend voor de duur van die gedraging of
handeling, met dien verstande dat de ontheffing voor maximaal drie
maanden wordt verleend.
Een ontheffing kan in spoedeisende gevallen voor een éénmalige
gedraging of handeling mondeling geschieden.
Artikel 1.8 Weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning of
ontheffing
Een vergunning of ontheffing wordt in elk geval niet verleend indien
één of meer belangen die worden beschermd door deze verordening,
waaronder redenen van orde en veiligheid in de haven, zich daartegen
verzetten.
Voorts wordt een vergunning of ontheffing niet verleend indien het
doelmatig gebruik van de haven zich daartegen verzet.
Een vergunning of ontheffing kan, afgezien van de specifieke
gronden, vermeld in de afzonderlijke bepalingen, worden geweigerd in
geval van strijd met de belangen die ten grondslag liggen aan de
betrokken bepalingen of in geval van strijd met een
bestemmingsplan.
De geldigheidsduur van een vergunning of ontheffing wordt niet
verlengd indien:
gebleken is dat gedurende het laatste tijdvak van geldigheid
binnen in de haven door de aanvrager geen gebruik werd
gemaakt van de eerder verleende vergunning of
ontheffing;
de redenen van orde en veiligheid in de haven zich tegen een
verlenging van de geldigheidsduur verzetten.
In het geval, bedoeld onder lid 3, sub a, kan de geldigheidsduur
worden verlengd indien op genoegzame wijze is aangetoond dat om
gegronde reden geen gebruik kon worden gemaakt van de ontheffing of
vergunning in de haven.
Het college kan een vergunning, een ontheffing voor het nog te
doorlopen deel van de geldigheidsduur intrekken indien:
een reden waarom zij werd verleend of verlengd is
vervallen;
een daaraan verbonden beperking of voorschrift niet wordt
nageleefd;
de belangen die worden beschermd door deze verordening zulks
wenselijk maken;
de vergunninghouder de aanwijzingen, gegeven door daartoe
bevoegde ambtenaren niet naleeft;
zich na de verlening of verlenging een zodanig feit of
omstandigheid voordoet dat, indien het feit of de
omstandigheid ten tijde van de verlening of verlenging
bekend was geweest, de vergunning, de ontheffing of de
verlenging van de geldigheidsduur niet of niet in die vorm
zou zijn verleend;
onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.
Artikel 1.9Verplichtingen van houders van vergunningen of
ontheffingen
De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht op eerste
aanvraag van een ambtenaar, bedoeld in artikel 12.2, het bezit van
de vergunning of ontheffing aan te tonen.
De houder van een vergunning is verplicht de vergunning of een kopie
hiervan, die op een schip betrekking heeft, te allen tijde aan boord
van het schip te houden en op eerste aanvraag van een ambtenaar, als
hiervoor genoemd, inzage van de vergunning te geven.
De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht om bij het
gebruik van de vergunning of ontheffing de aan de vergunning of
ontheffing verbonden beperkingen en/of voorschriften in acht te
nemen.
Artikel 1.10 Normadressaat
Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is de rechthebbende
verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze verordening;
Bij afwezigheid van een kapitein of een schipper, is de exploitant
verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens
deze verordening.
PARAGRAAF 2 AANWIJZING HAVENMEESTER
Artikel 2.1 Aanwijzing havenmeester
De directeur wijst de havenmeester van Den Helder aan.
PARAGRAAF 3 ORDE IN EN GEBRUIK VAN DE HAVEN, OPENBARE HAVEN- EN
KADETERREINEN
Artikel 3.1 Tekens
Door of namens het college kunnen, onverminderd haar bevoegdheid als
bedoeld in artikel 3 van de Scheepvaartverkeerswet, in het belang
van de orde en veiligheid in de haven tekens worden geplaatst, al of
niet in samenhang met bijkomende tekens die zijn opgenomen in het
BPR. Deze tekens kunnen worden voorzien van nadere
aanduidingen.
Het is verboden te handelen in strijd met het teken en de daarbij
behorende nadere aanduiding, bedoeld in het eerste lid.
Het college kan van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing
verlenen.
Artikel 3.2 Verbod tot het innemen van ligplaats
Het is verboden zonder ontheffing of vergunning van het college dan
wel zonder aanwijzing van de dienstdoende havenmeester met een schip
ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen op door
burgemeester en wethouders aangewezen gedeelten van het openbaar
water dat tot het beheersgebied van NV Port of Den Helder
behoort.
Het college kan aan het innemen van een ligplaats met een
schip:
nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien
van de haven;
beperkingen stellen naar soort en aantal schepen.
Van het verbod in het eerste lid kan door het college ontheffing of
vergunning worden verleend.
Artikel 3.3 Gebruik van een ligplaats voor bijzondere
doeleinden
Het is verboden een schip - op een ligplaats - te gebruiken als
opslagplaats, magazijn, werkplaats, expositieruimte of voor het
uitoefenen van een beroep of bedrijf, tenzij het gebruik van een
schip gebonden is aan de aard van het beroep of bedrijf.
Van het verbod in het eerste lid kan ontheffing worden verleend door
het college.
Artikel 3.4 Onvoldoend bemand zijnde schepen
Onverminderd het bepaalde in het derde lid is het verboden een
schip, dat niet is bemand of dat onvoldoende is bemand om het te
kunnen verhalen, op een ligplaats te laten liggen.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voor
schepen zonder bemanningsverblijf, alsmede in het geval dat het
college een ontheffing heeft verleend.
Het college kan voor bepaalde categorieën schepen ligplaatsen en
gedeelten van de haven aanwijzen, waar het in het eerste lid
gestelde verbod niet van toepassing is. Aan de aanwijzingkunnen
voorschriften en beperkingen worden verbonden.
Artikel 3.5 Verhalen van schepen anders dan op eigen
aanvraag
Het college kan de rechthebbende van een schip schriftelijk, en in
spoedeisende gevallen mondeling, opdragen, het schip te verhalen of
te doen verhalen naar een andere ligplaats, indien dit in het belang
van de ordening, openbare orde, veiligheid of milieu noodzakelijk
is.
Indien geen gevolg wordt gegeven aan de opdracht, bedoeld in het
eerste lid, kan het college het schip voor rekening en risico van de
rechthebbende verhalen of doen verhalen.
In spoedeisende gevallen of indien de rechthebbende onbekend is, kan
het college het schip voor rekening en risico van de rechthebbende
direct verhalen of doen verhalen.
Artikel 3.6 Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade
Bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan of aan boord van een
schip die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken voor het schip
of de omgeving, worden direct aan de havenmeester gemeld.
De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats per telefoon, per
marifoon op het daarvoor bestemde VHF-kanaal, per fax of per
e-mail.
Artikel 3.7 Voorzieningen in de haven
Het is een ieder verboden voorzieningen of voorwerpen in, op, onder
of boven het water te hebben, te plaatsen of aan te brengen, indien
daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien
het betreft het hebben, plaatsen of aanbrengen van scheepstoebehoren
en voorzieningen die dienen, en als zodanig in gebruik zijn, om een
schip te laden en te lossen.
Het college kan van het in het eerste lid gesteld verbod ontheffing
verlenen.
Artikel 3.8 Toegang tot/gebruik van openbare haven- en kadeterreinen
Het is aan niet aan het havenverkeer deelnemende personen verboden
de openbare haven- en kadeterreinen te betreden.
Het is een ieder verboden een voertuig op de openbare haven- en
kadeterreinen te parkeren op andere dan door het college aangewezen
plaatsen.
Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd
welke naar het oordeel van het college nodig is voor en gebruikt
wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor
aanwezigheid van het voertuig ter plaatse nodig is.
Het college kan van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod
ontheffing verlenen. De verleende ontheffing zal door gebruikmaking
van borden nader kunnen worden aangegeven.
Het is, onverminderd het bepaalde in of krachtens de
Wegenverkeerswet, verboden wegen of weggedeelten te gebruiken anders
dan overeenkomstig de daaraan gegeven bestemming.
Het college kan van het in het vijfde lid gestelde verbod vergunning
verlenen.
Het betreden van de in dit artikel genoemde plaatsen geschiedt voor
risico van de betreders.
Artikel 3.9Verplichtingen bij werkzaamheden op openbare haven- en
kadeterreinen
Het gebruik van de haven- en kadeterreinen dient, naast de
voorschriften uit deze verordening ook te geschieden conform de
voorschriften zoals die zijn gesteld in de bij deze verordening
behorende bijlagen, te weten:
Aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 13.1 lid 1
Havenbeheersverordening NV Port of Den Helder 2013;
Vergunningen Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
activiteit milieu, Nieuwediepkade ong. te Den Helder
gemeente Den Helder d.d. 17 april 2007, kenmerk
AU07.02481,
gemeente Den Helder d.d. 8 juli 2008, kenmerk
AU08.06651,
provincie Noord-Holland, d.d. 14 juli 2009, nr. 6899/85541,
en
uitspraak Raad van State, d.d. 14 juli 2010,
200907469/1/M1;
Beschikking Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
activiteit milieu, Nijverheidskade d.d. 3 december 2009,
kenmerk AU09.12468;
Beschikking Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
activiteit milieu, Flaneerkade d.d. 8 september 1998,
kenmerk 11531/MD.
Artikel 3.10 Staat van onderhoud vaartuig
De eigenaar, kapitein, belanghebbende van een vaartuig is te allen tijde
zelf verantwoordelijk voor de staat van onderhoud van het vaartuig.
PARAGRAAF 4BRUGGEN EN SLUIZEN
Artikel 4.1 Bedieningstijden en -voorschriften
Het college stelt bedieningstijden en -voorschriften vast voor
bruggen en sluizen die NV Port of Den Helder in beheer heeft.
Het college houdt bij het nemen van haar besluit overeenkomstig het
eerste lid van dit artikel rekening met de belangen van het verkeer
te water, van het openbaar vervoer en van het overige
wegverkeer.
Indien om vaststelling van bedieningstijden als bedoeld in lid 1
wordt verzocht, neemt het college binnen drie maanden een
besluit.
Bij de voorbereiding van besluiten tot vaststelling van
bedieningstijden en -voorschriften is de procedure van afdeling 3.4
van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Artikel 4.2Gebruik bruggen en sluizen
Het is een ieder verboden, ten tijde van het openen, het geopend
zijn en het sluiten van een brug of sluis zich te bevinden op het
beweegbare gedeelte van een brug of sluis of op het aansluitende
weggedeelte tot de slagboom.
Het is een ieder verboden, bruggen en sluizen, alsmede de daarbij
behorende objecten zoals aanvaarbescherming, remmingwerk, dukdalf of
steiger ten behoeve van onderhoud, te gebruiken voor andere
doeleinden dan waarvoor zij zijn bestemd.
Het is verboden vanaf bruggen of sluizen te duiken of te
springen.
Het college kan van het verbod in het tweede lid ontheffing
verlenen.
Het is anderen dan de dienstdoende haven- of sluismeester verboden
om bij de gemeente in beheer zijnde bruggen en/of sluizen te
bedienen of daarbij gebruikte slagbomen te openen of te
sluiten.
Artikel 4.3 Verwijderen obstakels
Degene die een brug passeert, is verplicht zo veel mogelijk uitstekende
obstakels te verwijderen indien daardoor het openen of het geopend houden
van de brug kan worden beperkt of voorkomen.
PARAGRAAF 5 GEBRUIK VAN DE HAVEN
Artikel 5.1 Nutsvoorzieningen
Het is de rechthebbende verboden de elektriciteit te betrekken
anders dan via de op de wal aanwezige installaties, die zijn
aangesloten op het openbare elektriciteitsnet. Daar waar deze
installaties niet aanwezig zijn, dient omtrent het betrekken van de
elektriciteit overleg te worden gepleegd met de havenmeester.
Door de havenmeester kunnen aanwijzingen worden gegeven met
betrekking tot het gebruik van de openbare nutsvoorzieningen.
Artikel 5.2 Parkeren van schepen
Het is verboden een schip aan een kade in de haven af te meren, te
parkeren c.q. geparkeerd te houden.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
verlenen.
Artikel 5.3 Duikwerkzaamheden
Het is een ieder verboden duikwerkzaamheden in de haven uit te
voeren.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
verlenen.
Artikel 5.4 Passagiersvervoer
Het is verboden vanuit de haven, al dan niet tegen betaling,
passagiers te vervoeren.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
verlenen.
De geldigheidsduur van de ontheffing is gelijk aan die welke wordt
gesteld in de (indien benodigd) betreffende certificaten van de
Inspectie Infrastructuur & Transport.
Artikel 5.5 Handel
Het is een ieder verboden op het openbare water en/of de daaraan
gelegen openbare
haven- en kadeterreinen en op of aan de weg, al dan niet met een
voertuig of enig ander middel, een standplaats in te nemen teneinde
handel te drijven of diensten aan te bieden.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
verlenen.
Artikel 5.6 Reddingsmiddelen
Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij
het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel
voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
Artikel 5.7 Schade aan eigendommen van NV Port of Den Helder
Indien met een schip schade wordt toegebracht aan eigendommen van NV
Port of Den Helder, moet de rechthebbende daarvan binnen 24 uur
kennis geven aan de havenmeester.
Door de havenmeester wordt, na de in het voorgaande lid bedoelde
kennisgeving, een rapport van bevindingen opgesteld en uiterlijk
binnen 72 uur nadat de rechthebbende hem daarvan in kennis heeft
gesteld ter kennis van het college gebracht.
Het schade veroorzakende schip mag niet eerder vertrekken dan nadat
door of namens de rechthebbende een waarborgsom is gestort of een
bankgarantie is afgegeven ten bedrage van de door of namens de
directie getaxeerde schade.
PARAGRAAF 6 VEILIGHEID IN DE HAVEN EN BESCHERMING VAN HET
MILIEU
Artikel 6.1 Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico
veroorzakende stoffen
Het is verboden om aan boord van een schip, door middel van geperst
gas of stoom, het uitlaatgassensysteem van verbrandingsmotoren naar
de buitenlucht door te blazen, waardoor roet uit het schip
ontsnapt.
Het is verboden stoffen uit een schip te laten ontsnappen, waardoor
gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan.
Het college kan van het in het tweede lid gestelde verbod ontheffing
verlenen.
Degene die op schepen dan wel op de kade werkzaamheden en
activiteiten verricht die schadelijk kunnen zijn voor het milieu,
treft zodanige maatregelen en voorzieningen, voor zover deze
maatregelen en voorzieningen niet elders in deze verordening zijn
voorgeschreven, dat de schade aan het milieu zoveel mogelijk wordt
beperkt.
Artikel 6.2 Ernstig gevaar, schade of hinder opleverende
schepen
Het college kan indien naar haar oordeel een schip ernstig gevaar,
schade of hinder, of ernstige verstoring van de orde met zich
meebrengt of kan brengen:
een verbod opleggen om met dat schip de haven binnen te
komen, in de haven te verblijven of zich met dat schip op
een ligplaats te bevinden, of;
maatregelen opleggen aan kapitein of schipper van het schip
dat in de haven verblijft of zich op een ligplaats
bevindt.
Degene aan wie het verbod is of de maatregelen zijn opgelegd, is
verplicht daaraan gevolg te geven.
Artikel 6.3 Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of
voorwerpen
Degene, door wiens toedoen een stof of voorwerp in het water van de
haven terechtkomt of vrijkomt, waardoor gevaar, schade of hinder in
of buiten de haven wordt veroorzaakt, is verplicht er voor te zorgen
dat:
daarvan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de
havenmeester;
de stof of het voorwerp onmiddellijk uit het water wordt
verwijderd, tenzij dit redelijkerwijs niet uitvoerbaar is.
Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming van het in de
haven terechtkomen of vrijkomen van voorwerpen of stoffen zoals
bedoeld in het eerste lid.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing als de Wet
verontreiniging oppervlaktewateren of andere milieu- of
veiligheidswetgeving daarin voorziet.
Artikel 6.4 Verrichten van werkzaamheden
Het is een ieder verboden herstellings-, schoonmaak-, schilder- en
andere conserverings-, ontgassings- of andere werkzaamheden op of
aan schepen te verrichten of te doen verrichten wanneer hierdoor
gevaar, schade of hinder voor de scheepvaart of de omgeving, het
water en de bodem daaronder begrepen kunnen opleveren.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing
verlenen.
Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing met
betrekking tot schepen liggend op een scheepswerf dan wel op of aan
het terrein van een herstellingsinrichting waarvoor een vergunning
krachtens de Wet algemene bepaling omgevingsrecht is verleend.
Artikel 6.5 Melding van gassen of stoffen (voor binnenlopen
haven)
De rechthebbende van een schip, dat is behandeld met gassen of met stoffen
die gassen afstaan, met het doel het schip dan wel de lading te ontsmetten,
is verplicht dat, alvorens de haven binnen te lopen, vooraf de volgende
gegevens aan de havenmeester zijn gemeld:
de aard van de lading;
de chemische of technische benaming van de ontsmettingsstoffen;
de ontsmette ruimte(n) dan wel de plaats van stuwage van de
ontsmette lading;
de datum van behandeling met ontsmettingsstoffen;
de plaats van behandeling met ontsmettingsstoffen;
de ruimten die met lucht zijn geventileerd na behandeling met
ontsmettingsstoffen;
of geschikte gasmeetapparatuur aan boord is voor het meten van
concentraties ontsmettingsgassen;
of ruimten voor aankomst zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van
ontsmettingsgassen onder vermelding van de ruimte en de gemeten
waarde.
Het vorenstaande laat de werking van de Bestrijdingsmiddelenwet
onverlet.
Artikel 6.6 Ontsmetten van schepen (in de haven)
Het is de rechthebbende verboden zijn schip met gassen te behandelen
of te doen behandelen met het doel het schip dan wel de lading te
ontsmetten.
Het college kan van het in het eerste lid gesteld verbod ontheffing
verlenen.
Het is de rechthebbende van een zeeschip, dat is behandeld met
gassen of met stoffen die gassen afstaan met het doel het schip dan
wel de lading te ontsmetten en dat nog niet vrij is van die gassen
of stoffen, verboden ligplaats te nemen of zich met zijn schip op
een ligplaats te bevinden tenzij:
a. voor het schip een verklaring is afgegeven door een deskundige,
erkend of aangewezen bij of krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet,
dat het schip voldoende vrij is van die gassen of
b. ontheffing is gegeven door het college.
De melding als bedoeld in het eerste lid dient conform de Regeling
meldingen en communicatie scheepvaart.
Artikel 6.7 Boord-boord overslag
Het is de rechthebbende van een schip verboden vloeibare gevaarlijke
of schadelijke stoffen, met uitzondering van brandstoffen en
smeeroliën ten behoeve van de voortstuwing en werktuigen van het
schip, drinkwater en/of slopafgifte, over te geven aan of te
ontvangen van een ander schip.
Het college kan van het verbod gesteld in het eerste lid vergunning
verlenen.
De voorschriften, te verbinden aan de in het tweede lid bedoelde
vergunning, kunnen betrekking hebben onder meer op:
de orde en veiligheid in de haven;
de aard van de stoffen;
de methode van afmeren en fenderen;
de voorschriften betreffende het overslaan;
de bescherming van het milieu.
PARAGRAAF 7 TOESTEMMING; MELDING
Artikel 7.1 Toestemming tot bevaren van de haven
Onverminderd het hierna bepaalde omtrent melding van aankomst en vertrek,
dient voor het binnenvaren in de haven en voor vertrek vanaf de ligplaats de
rechthebbende van een schip toestemming te vragen aan de havenmeester via
het daarvoor aangewezen marifoonkanaal of bij gebreke van een marifoon op
andere wijze.
Aan een zodanige toestemming kunnen voorwaarden en aanwijzingen worden
verbonden, die terstond dienen te worden opgevolgd.
Artikel 7.2 Melding bij aankomst en vertrek en bij het wisselen van
ligplaats van een schip
De rechthebbende van een schip is verplicht er voor te zorgen dat
aan de havenmeester worden gemeld:
het vermoedelijke tijdstip van aankomst van het schip in de
haven, voor zeeschepen tenminste vierentwintig uur voor
aankomst en voor binnenschepen drie uur voor aankomst;
de wisseling van ligplaats van het schip en wel tenminste
drie uur voor de aanvang van de wisseling;
het vertrek van het schip uit de haven en wel tenminste drie
uur voor het ontmeren;
bij wijziging van het vermoedelijke tijdstip van aankomst of
het vertrek van het schip met 2 uur of meer dient de
havenmeester opnieuw geïnformeerd te worden;
de diepgang van het schip bij aankomst in, verwisseling van
de ligplaats binnen - en vertrek uit - de haven;
schade aan schip, uitrusting of lading dan wel enige andere
omstandigheid aan boord die de bestuurbaarheid van het schip
kan verminderen of de veiligheid of gezondheid in of buiten
de haven in gevaar kan brengen, onverwijld nadat die
omstandigheid zich heeft geopenbaard;
andere gegevens die de havenmeester verlangt in verband met
de aanwezigheid van het schip in de haven.
Een gelijke verplichting, als bedoeld in het eerste lid, rust op de
reder en de bevrachter van het schip en hun vertegenwoordiger, ieder
afzonderlijk.
Zodra een van de in het eerste lid bedoelde personen aan zijn
verplichtingen heeft voldaan vervalt deze verplichting voor de
anderen.
Artikel 7.3 Melding van gevaarlijke en schadelijke stoffen
Het college kan bepalen dat met betrekking tot de lading van
schepen, die geladen zijn of geladen worden met een gevaarlijke dan
wel schadelijke stof, of die nog niet van die stof zijn
schoongemaakt, door hem te bepalen gegevens worden gemeld.
Het college bepaalt tevens op welk tijdstip en op welke wijze de
gegevens moeten worden gemeld.
Artikel 7.4 Aanleveren/melden gegevens
De rechthebbende is verplicht alle wettelijk vereiste gegevens, elektronisch
te melden via het Havenmanagementsysteem “Portaal” bij NV Port of Den
Helder.
PARAGRAAF 8 SCHEPEN MET GEVAARLIJKE STOFFEN
Artikel 8.1 Regels voor schepen met gevaarlijke stoffen
In verband met de aanwezigheid in de haven van schepen die geladen
zijn, geladen worden of geladen zijn geweest met gevaarlijke dan wel
schadelijke stoffen en daarvan niet zijn schoongemaakt, geeft de
directie regels in het belang van de veiligheid en ter voorkoming
van schade en hinder.
De in het eerste lid bedoelde regels kunnen onder meer betrekking
hebben op:
de te overleggen bescheiden omtrent schip en lading;
het innemen van ligplaats;
het bewaken en het toezicht;
het voorkomen van brand en andere calamiteiten en het
bestrijden daarvan;
het verrichten van werkzaamheden waarbij gevaar, schade of
hinder is te duchten;
het laden en lossen;
het melden van incidenten.
De regels kunnen verschillend zijn naar gelang de eigenschappen van
de stoffen en het type schip.
Bij de overslag van gevaarlijke afvalstoffen dienen tevens de
voorschriften verbonden aan
het aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 3.9, lid 1
onder a van deze verordening;
Vergunningen Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
activiteit milieu, Nieuwediepkade ong. te Den Helder
gemeente Den Helder d.d. 17 april 2007, kenmerk
AU07.02481,
gemeente Den Helder d.d. 8 juli 2008, kenmerk
AU08.06651,
provincie Noord-Holland, d.d. 14 juli 2009, nr. 6899/85541,
en
uitspraak Raad van State, d.d. 14 juli 2010,
200907469/1/M1;
Beschikking Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
activiteit milieu, Nijverheidskade d.d. 3 december 2009,
kenmerk AU09.12468;
Beschikking Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
activiteit milieu, Flaneerkade d.d. 8 september 1998,
kenmerk 11531/MD strikt te worden nageleefd.
Artikel 8.2 Ongelukken en gevaar
Degene die betrokken is bij een voorval met gevaarlijke stoffen
waardoor gevaar, schade of hinder voor de omgeving ontstaat of kan
ontstaan, én degene die van een dergelijk voorval kennis draagt,
zijn - onverminderd het bepaalde in de Brandbeveiligingsverordening
- verplicht hiervan onmiddellijk melding te maken aan de
havenmeester als het voorval plaatsheeft in het havengebied; degene
die is betrokken bij genoemd voorval is verplicht om onmiddellijk
noodmaatregelen te treffen om verder(e) gevaar, schade of hinder te
voorkomen.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing als andere
milieu- of veiligheidswetgeving daarin voorziet.
PARAGRAAF 9BIJZONDERE VERGUNNINGEN
Artikel 9.1 Maken of hebben van werken
Het is een ieder verboden in, op, onder of boven het water een werk
te maken of te hebben, of enige handelingen te verrichten waardoor
in de plaatselijke toestand wijziging wordt gebracht.
Het college kan van het in het eerste lid gestelde ontheffing
verlenen.
PARAGRAAF 10 ONTVANGST VAN SCHADELIJKE AFVALSTOFFEN VAN ZEESCHEPEN
Artikel 10.1 Aanwijzing van bedrijven met
ontvangstvoorzieningen
Mede ter uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de Wvvs, wijst
het college bedrijven aan voor het in ontvangst nemen van
scheepsafval en overige schadelijke stoffen of restanten van
schadelijke stoffen, welke rechtstreeks afkomstig zijn van schepen
die het toepassingsgebied, als bedoeld in artikel 1.2, aandoen.
De aanwijzing geschiedt met inachtneming van evenredigheid tussen
het verwachte aanbod van krachtens de Wvvs aangewezen stoffen
enerzijds en de ontvangstmogelijkheden binnen de haven anderzijds,
zodat onnodig oponthoud van zeeschepen bij de afgifte van die
schadelijke stoffen wordt voorkomen.
De aanvraag en gegevens ter verkrijging van een aanwijzing of ter
verkrijging van een verlenging van de geldigheidsduur worden
schriftelijk bij de directie ingediend.
De verlening van een aanwijzing en de verlenging van de
geldigheidsduur geschieden schriftelijk.
Artikel 10.2 Geldigheidsduur van de aanwijzing; beperkingen en
voorschriften
De in artikel 10.1. bedoelde aanwijzing geschiedt voor de duur van
maximaal vijf jaren.
Aan een aanwijzing kunnen beperkingen en voorschriften worden
verbonden die betrekking kunnen hebben op onder meer:
de soort ontvangstvoorzieningen waarover het bedrijf
beschikt en de veranderingen daarvan;
geschiktheid en beschikbaarheid van de
ontvangstvoorzieningen;
de soorten scheepsafvalstoffen waarvoor de aanwijzing
geldt;
het meedelen van het tarief voor de kosten die in rekening
worden gebracht aan schepen die scheepsafvalstoffen afgeven;
het melden van het in ontvangst nemen van de
scheepsafvalstoffen en het verstrekken van gegevens
daaromtrent;
het afleveren van de ingezamelde scheepsafvalstoffen.
Het college kan de duur van een aanwijzing telkens met een tijdvak
van ten hoogste vijf jaren verlengen. Het kan daarbij beperkingen en
voorschriften wijzigen en nieuwe voorschriften en beperkingen
stellen.
Het college kan een aanwijzing of verlenging daarvan voor het nog te
doorlopen deel van de geldigheidsduur intrekken indien:
een reden waarom de aanwijzing of verlenging is verstrekt is
vervallen;
een beperking of voorschrift niet wordt nageleefd;
zich na de aanwijzing of verlenging zodanige feiten of
omstandigheden voordoen dat, indien deze ten tijde van de
aanwijzing of verlenging bekend waren geweest, de aanwijzing
of verlenging niet of niet in die vorm zou hebben
plaatsgevonden;
gedurende een jaar geen of slechts weinig
scheepsafvalstoffen zijn ingezameld dan wel gedurende een
jaar geen of slechts weinig melding is gedaan van de
inzameling van scheepsafvalstoffen door de houder van de
aanwijzing.
De geldigheidsduur van de aanwijzing wordt niet verlengd indien
gedurende het laatste jaar van scheepsafvalstoffen werden ingezameld
in de haven.
De toepassing van dit lid kan achterwege blijven indien is
aangetoond dat om gegronde reden geen gebruik kon worden gemaakt van
de aanwijzing in de haven.
Artikel 10.3 Aanvraag van een aanwijzing
Bij een aanvraag van een aanwijzing, als bedoeld in artikel 10.1, worden in
ieder geval de volgende gegevens verstrekt:
gegevens van het bedrijf van de aanvrager, naam en functie van de
aanvrager;
een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel van het
betreffende bedrijf;
de relevante bij of krachtens de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht afgegeven vergunningen en ontheffingen;
de gegevens van de in te zetten ontvangstvoorzieningen die onder de
werking van de aanwijzing vallen, waaronder tenminste de capaciteit
en de geschiktheid ervan;
de soorten afvalstoffen als bedoeld in artikel 2 van het Besluit
voorkoming verontreiniging door schepen, waarop de aanvraag
betrekking heeft, en;
de bestemming van de ontvangen schadelijke stoffen.
Artikel 10.4 Verplichtingen van houders van aanwijzingen
De houder van een aanwijzing draagt er zorg voor dat de aanwijzing
te allen tijde op het bedrijf aanwezig is. Hij is verplicht de
aanwijzing op eerste aanvraag van een toezichthoudend ambtenaar, als
bedoeld in artikel 12.2, eerste lid, ter inzage te geven.
De houder van de aanwijzing is verplicht om bij het gebruik van de
aanwijzing de aan de aanwijzing verbonden beperkingen en
voorschriften in acht te nemen.
Artikel 10.5 Bekendmaking inzake ontvangst gevaarlijke
stoffen
Het college maakt bekend:
welke bedrijven ingevolge artikel 10.1. zijn aangewezen en de
ontvangstvoorzieningen waarover zij beschikken, alsmede de
veranderingen van die ontvangstvoorzieningen;
welke schadelijke stoffen door het bedrijf kunnen worden
ontvangen;
de duur van de aanwijzing en de verlenging daarvan;
de intrekking van een aanwijzing.
Artikel 10.6 Melding van afgifte van schadelijke stoffen
Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de wijze waarop de
melding van het voornemen tot het afgeven van scheepsafval en/of (restanten
van) schadelijk stoffen plaatsvindt.
Artikel 10.7 Afgifte aan aangewezen bedrijf; verbod voor niet
aangewezen bedrijven
De rechthebbende van een zeeschip dat een op grond van artikel 1.1
onder z, aangewezen schadelijke stof aan boord heeft, zorgt er voor
dat afgifte van die stof geschiedt aan een bedrijf dat blijkens een
aanwijzing ingevolge artikel 10.1 gerechtigd is om die stof in
ontvangst te nemen.
Het is een bedrijf dat niet is aangewezen voor het in ontvangst
nemen van een op grond van artikel 1.1, onder z, aangewezen
schadelijke stof, verboden om die stof in ontvangst te nemen.
PARAGRAAF 11 BUNKEREN
Artikel 11.1 Bunkeren
De kapitein of schipper van een bunkerschip gaat niet eerder over
tot bunkeren dan nadat van het voornemen hiertoe melding is gemaakt
aan de (assistent)havenmeester, onder vermelding van de locatie, de
aard van de stof(fen) en de datum en het tijdstip van aanvang van
het bunkeren.
Het college kan nadere regels vaststellen voor het innemen van
brandstof en smeermiddelen.
Het is verboden in strijd met de in het eerste lid van dit artikel
bedoelde regels te handelen.
Onverminderd het bepaalde in de in het tweede lid vermelde nadere
regels is het de kapitein of schipper van een schip dat niet
behoorlijk is afgemeerd of ten anker ligt, verboden brandstof en/of
smeermiddelen over te slaan dan wel over te laden.
PARAGRAAF 12 SLOT- EN STRAFBEPALINGEN
Artikel 12.1 Aanwijzing
Door of namens het college kan aan een rechthebbende een aanwijzing
worden gegeven in het belang van de ordening, de openbare orde, de
veiligheid en het milieu alsmede ter voorkoming van gevaar, schade
of hinder.
In het belang van de ordening, de openbare orde, de veiligheid en
het milieu alsmede ter voorkoming van gevaar, schade of hinder, kan
door het college een aanwijzingsbesluit worden genomen.
Degene tot wie de aanwijzing, als bedoeld in het eerste lid, is
gericht, is gehouden de aanwijzing onmiddellijk op te volgen.
Artikel 12.2 Toezichthoudende ambtenaren
Het college kan ambtenaren of groepen van ambtenaren aanwijzen als
toezichthoudende ambtenaren met betrekking tot het in deze
verordening bepaalde.
Zij zijn bevoegd inzage te vorderen en afschrift te nemen van
bescheiden voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun
taak nodig is.
Zij zijn bevoegd met hun apparatuur metingen te verrichten en van
stoffen monsters te nemen, een en ander voor zover dit
redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. De genomen
monsters worden voor zover mogelijk aan de rechthebbende op de
stoffen teruggegeven.
Artikel 12.3 Verplichting tot medewerking en verschaffen van
inlichtingen
Een ieder is desgevraagd verplicht aan de in artikel 12.2, eerste lid,
bedoelde ambtenaren alle medewerking te verlenen en de inlichtingen te
verschaffen, die naar hun redelijk oordeel voor de uitoefening van de bij
deze verordening verleende bevoegdheden nodig zijn.
Artikel 12.4 Strafbepaling
Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde wordt
gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van
de tweede categorie.
Bij overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde kan
bovendien de maatregel worden opgelegd dat de rechterlijke uitspraak
openbaar wordt gemaakt.
Artikel 12.5 Intrekking voorgaande verordening
De Havenverordening van de gemeente Den Helder vastgesteld door de
gemeenteraad d.d. 3 april 1996 en zoals nadien gewijzigd wordt
ingetrokken.
Bepalingen van verordeningen die in hetzelfde onderwerp voorzien als
de Havenbeheers- verordening, vervallen met ingang van de datum van
inwerkingtreding van de Havenbeheersverordening.
Artikel 12.6 Bestaande vergunningen, ontheffingen, aanwijzingen,
toestemmingen en daarvoor ingediende aanvragen
Vergunningen, ontheffingen, toestemmingen, aanstellingen van personen,
aanwijzingen van bedrijven, die zijn verleend of gegeven of die zijn
aangevraagd op grond van de Havenverordening Den Helder 1996, worden geacht
te zijn verleend, gegeven of aangevraagd op grond van deze verordening.
Artikel 12.7 Naam en inwerkingtreding
Deze verordening kan worden aangehaald als "Havenbeheersverordening
NV Port of Den Helder 2013".
Deze verordening treedt na haar bekendmaking in werking op een door
het college vast te stellen tijdstip.
Verwijzingen
- Artikel 1
- Artikel 6
- Artikel 3
- Artikel 1
- Artikel 3
- Artikel 7
- Artikel 5
- Artikel 1
- Artikel 4
- Artikel 3
- Artikel 8
- Artikel 6
- Artikel 5
- Artikel 7
- Artikel 5
- Artikel 1
- Artikel 5
- Artikel 4
- Artikel 3
- Artikel 7
- Artikel 3
- Artikel 1
- Artikel 4
- Artikel 7
- artikel 1
- Artikel 3
- Artikel 6
- artikel 12
- Artikel 1
- Artikel 5
- Artikel 3
- artikel 3
- Artikel 1
- Artikel 5
- Artikel 6
- artikel 13
- Artikel 3
- Artikel 3
- Artikel 1
- Artikel 9
- Artikel 5
- Artikel 6
- Artikel 1
- Artikel 1
- Artikel 8
- Artikel 6
- Artikel 2
- Artikel 3
- artikel 6
- Artikel 6
- Artikel 10
- artikel 10
- Artikel 10
- Artikel 10
- artikel 12
- artikel 1
- Artikel 10
- Artikel 12
- artikel 10
- artikel 1
- Artikel 12
- Artikel 12
- Artikel 11
- artikel 12
- Artikel 10
- Artikel 10
- Artikel 12
- artikel 10
- Artikel 10
- artikel 10
- artikel 1
- Artikel 12
- Artikel 12
- Artikel 12