TOELICHTING OP DE HAVENBEHEERSVERORDENING NV PORT OF DEN HELDER
2013
Algemeen
Ter uitvoering van de publiekrechtelijke bepalingen (oa.
Scheepvaartverkeerswet, Binnenvaartpolitiereglement, Wet voorkoming
verontreiniging door schepen, Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) is
voor de NV Port of Den Helder een Havenbeheersverordening opgesteld.
In de Havenbeheersverordening NV Port of Den Helder 2013 (hierna:
Havenbeheersverordening) zijn bepalingen opgenomen die voor de
havenbeheerder noodzakelijk zijn om ordening, de veiligheid en het milieu in
de havens te kunnen handhaven.
Artikelsgewijze toelichting
Paragraaf 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.1 Begripsbepalingen
Voor de omschrijving van de begrippen in het eerste artikel van de
Havenbeheersverordening is aansluiting gezocht bij reeds bestaande
wettelijke definities, waarbij als hoofduitgangspunt het
Binnenvaartpolitiereglement is aangehouden. Ook is gekeken naar
begripsomschrijvingen die door andere havens worden gehanteerd.
Artikel 2.1 Toepassingsgebied
In de verordening wordt het begrip “haven” gehanteerd voor het gebied dat
bij NV Port of Den Helder in eigendom, erfpacht of beheer is.
Het toepassingsgebied beperkt zich niet alleen tot de als haven omschreven
wateren, doch strekt zich eveneens uit over alle in het havengebied gelegen
bouwwerken, kademuren, terreinen en dergelijke. Het is duidelijk dat ook
vanaf de wal de orde, de veiligheid en het milieu in de haven ongunstig kan
worden beïnvloed. Te denken valt hierbij aan over het water stekende kranen
of balken. Het zou niet praktisch zijn indien in dergelijke gevallen
bijvoorbeeld met hulp van de “Algemene Plaatselijke Verordening” zou moeten
worden opgetreden.
Artikel 1.3 Aanvulling of afwijking van de Algemene wet
bestuursrecht
Dit artikel regelt de verhouding van de Havenbeheersverordening in relatie
de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 1.4 Vergunningen en ontheffingen in het algemeen
Dit artikel regelt zoveel mogelijk de gang van zaken bij het behandelen van
aanvragen om een vergunning of ontheffing.
Er is sprake van een ontheffing wanneer er een algemeen verbod is, waarvan
in bijzondere gevallen van afgeweken kan worden, het draagt het karakter van
een eenmalige beslissing voor een individueel geval.
Er is sprake van een vergunning wanneer iets wel is toegestaan, maar waarop
in dit geval de havenbeheerder, wel toezicht wil houden.
Onder spoedeisende gevallen wordt mede verstaan schepen die zich per
marifoon aanmelden voor een ligplaats in de haven. De meeste ligplaatsen
worden op deze wijze aangevraagd.
Artikel 1.5. Beslistermijn
In dit artikel is expliciet opgenomen dat op een aanvraag binnen acht weken
moet worden besloten. Voor deze termijn is aansluiting gezocht bij hetgeen
is opgenomen in de Algemene Plaatselijke Verordening.
Indien het een ingewikkelde aanvraag betreft, kan deze termijn éénmaal met 8
weken worden verlengd. Wel moet deze verlenging (binnen de eerste 8 weken)
aan de aanvrager gemeld worden.
Met name voor aanvragen betreffende een aanwijzing havenontvangstinstallatie
(paragraaf 10 Havenbeheersverordening) is deze termijn benodigd in verband
met het van toepassing zijn van afdeling 3.4 Uniforme openbare
voorbereidingsprocedure van de Abw.
Artikel 1.6 Voorschriften en beperkingen
In dit artikel wordt het college de bevoegdheid gegeven om voorschriften en
beperkingen te verbinden aan een vergunning of ontheffing.
Artikel 1.7 Geldigheidsduur
In het eerste lid wordt geregeld dat een vergunning of ontheffing wordt
verleend voor de duur van vijf jaar. Wel bestaat de mogelijkheid bij of
krachtens de Havenbeheersverordening te bepalen dat een andere termijn wordt
vastgesteld.
Artikel 1.8 Weigeren, wijzigen of intrekken van een vergunning of
ontheffing
In dit artikel worden de gronden voor het weigeren, wijzigen of intrekken
van een vergunning of ontheffing gegeven. Daarbij moeten vanzelfsprekend de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen.
Artikel 1.9 Verplichtingen van houders van vergunning of
ontheffingen
Wanneer voor een spoedeisend geval, een eenmalige gedraging of handeling van
korte duur een snelle ontheffing wordt vereist, kan worden volstaan met een
mondeling verkregen ontheffing. In de praktijk geschiedt het aanvragen en
verlenen van een ontheffing dikwijls per marifoon. Dit kan de houder van de
ontheffing in moeilijkheden brengen voor wat betreft de bewijslast tegenover
de toezichthoudende ambtenaar of opsporingsambtenaar. Indien de ontheffing
echter aannemelijk kan worden gemaakt, bijvoorbeeld door verwijzing naar
bevestiging van de degene die de ontheffing heeft verleend, zal daarmee het
bezit van de ontheffing voldoende zijn aangetoond. De ontheffingverlener
dient zijnerzijds zorg te dragen voor het aantekenen van de ontheffing in
het dagjournaal.
Artikel 1.10 Normadressaat
Dit artikel bepaalt tot wie de voorschriften van de verordening zich
richten. Tenzij uit de tekst anders blijkt, is de kapitein of de schipper
verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
verordening. Degene die de feitelijke leiding heeft over een schip, is in
principe de kapitein of schipper, maar kan ook zijn vervanger zijn, of
iemand anders van de bemanning die op dat moment de feitelijke leiding
heeft. Overal waar in de verordening staat “het is verboden”, richt de norm
zich dus in de eerste plaats tot de kapitein, de schipper of zijn
plaatsvervanger.
Met nadruk zij hier opgemerkt dat er enkele artikelen in de verordening zijn
opgenomen waarin expliciet is bepaald dat “een ieder” zich aan dat
voorschrift dient te houden. De normen in die artikelen richten zich
derhalve niet tot de kapitein of schipper, maar tot iedereen. Op deze wijze
ontstaat eenduidigheid ten aanzien van de normadressaat.
In het tweede lid is bepaald dat bij afwezigheid van een kapitein of een
schipper, de exploitant verantwoordelijk is voor de naleving van het
bepaalde bij of krachtens deze verordening. Deze bepaling is opgenomen voor
gevallen waarin een ponton of een ander soort schip is afgemeerd en er geen
bemanning (meer) aan boord is.
Paragraaf 2 Aanwijzing havenmeester
Artikel 2.1 Aanwijzing (assistent)havenmeester
Artikel 2.1 vormt de basis voor de bevoegdheid van de directeur van NV Port
of Den Helder om de havenmeester aan te wijzen.
Paragraaf 3 Orde in en gebruik van de haven, openbare haven- en
kadeterreinen
Artikel 3.1 Tekens
Verkeerstekens die een verbod of een gebod bevatten, kunnen op grond van het
BPR worden afgekondigd als dat in het belang is van het gestelde in artikel
3 van de Scheepvaartverkeerswet. Er kan evenwel behoefte zijn aan ordening
om andere dan verkeerstechnische motieven.
Het gebruik van tekens op grond van deze verordening is dan ook niet
gebaseerd op het in goede banen leiden van het verkeer op het water, maar op
andere motieven, te weten: ordening te water, openbare orde, veiligheid en
milieu. De term verkeerstekens wordt in de verordening daarom ook niet
gebruikt. Er wordt, ter onderscheiding, gesproken van “tekens”.
De onderhavige bepaling vormt de basis waarop onder meer het ligplaatsbeleid
gestalte kan worden gegeven, door het plaatsen van tekens of het afkondigen
van voorschriften in zake de ligplaatsverdeling.
Artikel 3.2 Verbod tot het innemen van ligplaats
In principe is het verboden ligplaats te nemen of zich met een schip op een
ligplaats te bevinden.
In lid 3 wordt de mogelijkheid geboden om hiervan ontheffing of hiervoor een
vergunning te verkrijgen, waarbij op grond van lid 3 nadere regels c.q.
beperkingen kunnen worden gesteld.
Artikel 3.3 Gebruik van een ligplaats voor bijzondere
doeleinden
Op grond van dit artikel is het mogelijk om bepaalde activiteiten die niet
specifiek scheepsgebonden zijn te weren uit de haven.
Artikel 3.4 Onvoldoend bemand zijnde schepen
NV Port of Den Helder is een haven waar 24 uur per dag, 7 dagen in de week
en 365 dagen per jaar wordt gewerkt. Daarbij is het logisch dat een schip te
allen tijde verhaalbaar moet zijn, met andere woorden dat er voldoende
bemanning aan boord is om het schip te kunnen verhalen indien de
omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
Bij bepaalde soort schepen is deze verplichting te rigide, derhalve wordt in
lid 2 de mogelijkheid van een ontheffing gegeven. Bij bepaalde soort schepen
moet men denken aan bijv. visserijschepen. Veelal hebben deze schepen, met
instemming van de havenmeester, een collectieve wachtsman aangesteld.
Artikel 3.5 Verhalen van schepen anders dan op eigen
aanvraag
Schepen kunnen in de weg liggen als bijvoorbeeld een calamiteit op het land
of op het water moet worden bestreden. Tevens kunnen schepen zelf door een
calamiteit gevaar lopen. Daarnaast zijn er openbare orde en andere motieven
denkbaar die het noodzakelijk maken dat een schip (tijdelijk) moet worden
verhaald.
Aangezien niet altijd in strijd met bestaande wettelijke voorschriften wordt
gehandeld, is bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet en
artikel 5:21 Awb in dergelijke gevallen niet mogelijk. Teneinde de
havengebruiker tegen onnodig optreden te beschermen, wordt in het eerste lid
bepaald dat – overeenkomstig artikel 5:24 Awb – de beslissing op schrift
dient te worden gesteld.
Voorts kan uitsluitend van de bevoegdheid gebruik worden gemaakt indien dit
noodzakelijk is in het kader van de ordening, de openbare orde, de
veiligheid of het milieu.
Een voorbeeld van een niet-spoedeisend belang in het kader van de ordening
van de haven, is het noodzakelijk worden van het plegen van onderhoud aan
een kademuur of steiger waaraan reeds voor langere periode een schip gemeerd
ligt of bij het “omslaan” van het weer, waardoor er een grote toeloop is van
schepen die komen schuilen in de haven.
De rechthebbende van een schip kan op basis van dit artikel schriftelijk
worden verzocht binnen een redelijke termijn het schip te verhalen naar een
andere ligplaats. Indien medewerking wordt geweigerd, kan het schip verhaald
worden.
Artikel 3.6 Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade
Dit artikel bevat de verplichting voor schepen om alle bedrijfsstoringen,
gebreken of schade aan boord van een schip, die een gevaar voor het schip of
de omgeving kunnen opleveren direct aan de havenmeester te melden. De
bepaling is van toepassing op alle schepen. De melding vindt plaats per
telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per
e-mail.
Artikel 3.7 Voorzieningen in de haven
Dit artikel bepaalt in algemene zin dat het verboden is voorzieningen of
voorwerpen in, op, onder of boven water te hebben of aan te brengen indien
daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan.
De havenbeheerder dient in verband met het veilig gebruik van de haven op de
hoogte te zijn van alle voorzieningen die in, onder of boven water worden
aangebracht en die van een min of meer permanent karakter zijn. Uitgezonderd
zijn scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen om een schip te laden en
te lossen. Daarbij wordt de eis gesteld dat deze voorzieningen ook werkelijk
(als zodanig) in gebruik zijn, teneinde te voorkomen dat voorzieningen die
hinderlijk of gevaarlijk voor anderen zijn (bijvoorbeeld meerdraden of
fenders) blijvend worden aangebracht.
Artikel 3.8 Toegang tot/gebruik van openbare haven- en kadeterreinen
Dit artikel heeft mede tot doel om te voorkomen dat mensen die geen relatie
met de haven hebben hun voertuigen parkeren op de openbare kaden.
Artikel 3.9 Verplichtingen bij werkzaamheden op de openbare haven- en
kadeterreinen
In dit artikel wordt bepaald dat ook de voorwaarden/voorschriften welke aan
de beheerder van de haven worden gesteld middels een vergunning/beschikking
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook op de gebruikers van toepassing
zijn.
Paragraaf 4 Bruggen en sluizen
Artikel 4.1 Bedieningstijden en –voorschriften
Het scheepvaartverkeer, het havenbedrijfsleven en de watersport kunnen
middels dit voorschrift vroegtijdig op de hoogte worden gesteld van de
bedieningstijden en –voorschriften. Vanwege mogelijke tegenstrijdige
belangen is op het vaststellen van de bedieningstijden en –voorschriften
afdeling 3.4 Awb, de zogenoemde openbare voorbereidingsprocedure, van
toepassing.
Artikel 4.2 Gebruik bruggen en sluizen
Dit artikel beoogt het misbruik van bruggen en sluizen tegen te gaan. Het
artikel verbiedt een breed aantal activiteiten die op en vanaf bruggen en
sluizen kunnen worden ondernomen, zoals zwemmen, duiken of opslag van
goederen.
Artikel 4.3 Verwijderen obstakels
Het artikel beoogt te voorkomen dat bruggen onnodig moeten worden geopend
met het gevolg dat het verkeer op het land wordt geblokkeerd. Hiervan is
sprake als betrokkene zelf vrij eenvoudig voorzieningen kan treffen waardoor
de doorgang zonder het openen van de brug mogelijk is.
Paragraaf 5 Gebruik van de haven
Artikel 5.1 Nutsvoorzieningen
Op diverse kades zijn openbare nutsvoorzieningen aangebracht, bijv.
elektrakasten, dit ter beperking van geluidsoverlast.
Artikel 5.2 Parkeren van schepen
Indien (zee)schepen langdurig worden geparkeerd (of opgelegd), beperken deze
de flexibiliteit in de haven. De ruimte die aan geparkeerde schepen wordt
toegewezen, kan ook worden ingezet voor andere havenactiviteiten.
Artikel 5.3 Duikwerkzaamheden
In het belang van de veiligheid dient voor duikwerkzaamheden in het
havengebied een vergunning te worden verleend. Duikbedrijven dienen bij het
uitvoeren van deze werkzaamheden vooral veiligheidsvoorschriften in acht te
nemen.
Artikel 5.4 Passagiersvervoer
In alle andere gevallen, waarop noch de Wet openbare middelen van vervoer,
c.q. de Schepenwet noch de gemeentelijke Verordening ter bevordering van de
veiligheid van de vaart met recreatieve bedrijfsvaartuigen van toepassing
is, kan het college op grond van dit artikel vergunningen afgeven voor het
vervoer van passagiers in en vanaf het beheersgebied van NV Port of Den
Helder.
Artikel 5.5 Handel
Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om uit het oogpunt van
veiligheid en/of de openbare orde hiertegen op te treden.
Artikel 5.6 Reddingsmiddelen
Dit artikel is er op te voorkomen dat er misbruik van reddingsmiddelen wordt
gemaakt en indien dit wel gebeurt dat hiertegen opgetreden kan worden.
Artikel 5.7 Schade aan eigendommen NV Port of Den Helder
Indien een schip schade veroorzaakt aan waterstaatswerken in eigendom,
erfpacht of beheer bij NV Port of Den Helder, dan moet het mogelijk zijn
deze schade op de rechthebbende van dat schip te verhalen. Vandaar dat het
schip niet eerder mag wegvaren dan nadat een waarborgsom is gestort of een
bankgarantie is afgegeven.
Paragraaf 6 Veiligheid in de haven en bescherming van het
milieu
Artikel 6.1 Verontreiniging van milieu, stank of hinder veroorzakende
stoffen
Het eerste lid van dit artikel regelt dat het verboden is om roet uit een
schip te laten ontsnappen ten gevolge van het doorblazen van het
uitlaatgassensysteem.
Het tweede lid bepaalt dat het verboden is stoffen uit een schip te laten
ontsnappen, indien hierdoor gevaar, schade of hinder ontstaat.
De in het eerste en tweede lid gestelde verboden beperken zich tot
handelingen die plaatsvinden aan boord van een schip.
Het derde lid regelt dat het college ontheffing kan verlenen van het in het
tweede lid gestelde verbod.
Het vierde lid bepaalt dat bij werkzaamheden voorzieningen moeten worden
getroffen, voorzover dat al niet op grond van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht of het aanwijzingsbesluit behorende bij deze verordening (zie
ook artikel 3.9 Verplichtingen bij werkzaamheden op openbare haven- en
kadeterreinen) is bepaald.
Artikel 6.2 Ernstig gevaar schade of hinder opleverende
schepen
In het kader van goed havenbeheer is het noodzakelijk ten aanzien van
schepen die ernstig gevaar, schade of hinder of ernstige gevolgen voor de
ordening met zich mee (kunnen) brengen, maatregelen te kunnen treffen van
min of meer ingrijpende aard. Hierbij kan gedacht worden aan schepen die in
brand staan, dreigen te zinken of schepen waaruit gevaarlijke stoffen
lekken. De maatregelen kunnen variëren van het treffen van noodvoorzieningen
aan boord van het schip, tot – in het uiterste geval – het verbieden van een
binnenkomst of van verblijf van het schip in de haven. De te treffen
maatregelen en het verbod zullen (zo nodig achteraf) schriftelijk worden
meegedeeld.
Artikel 6.3 Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of
voorwerpen
Dit artikel regelt dat, in verband met veiligheid en het eventueel
belemmeren van de vaarweg, indien stoffen of voorwerpen te water geraken,
hiervan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de havenmeester. Deze
kennisgeving is niet aan voorschriften gebonden, maar de voorkeur wordt
gegeven aan een telefonische melding of via de marifoon aan NV Port of Den
Helder.
Vervolgens dient de stof of het voorwerp – voor zover mogelijk –
onmiddellijk te worden verwijderd.
In het BPR is al een verbod opgenomen dat het verboden is om o.a. vanaf een
schip voorwerpen of stoffen die de veiligheid van de scheepvaart in gevaar
kunnen brengen te water te doen geraken.
Voorts wordt beoogd, zo snel mogelijk maatregelen te kunnen treffen als een
dergelijke calamiteit zich voordoet. De oplegde alertheid van de vervuiler
en van degene die van een dergelijk voorval weet heeft, moeten hieraan
bijdragen. Tevens is uitdrukking gegeven aan de gedachte dat de vervuiler
verantwoordelijk is voor de gevolgen van zijn daden. Uiteraard zal dit
artikel zijn dienst bewijzen als de milieuwetgeving geen adequaat antwoord
biedt voor de ontstane problemen. Met name moet hier worden gedacht aan de
Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht. Regels bij of krachtens deze wetten leggen veelal
verplichtingen op aan degene die een inrichting drijft of aan de
vergunninghouder, in dit geval NV Port of Den Helder, om onvoorziene
lozingen te melden en om maatregelen te treffen. Op grond van dit artikel
kan ook de gebruiker van de haven aangesproken worden.
Dit artikel heeft, zoals blijkt uit lid 3 van dit artikel, een aanvullend
karakter.
Artikel 6.4 Verrichten van werkzaamheden
Om te voorkomen dat er werkzaamheden aan een schip worden verricht waardoor
gevaar, schade of hinder voor het scheepvaartverkeer, de omgeving, het water
of de bodem kan ontstaan, worden deze werkzaamheden in het eerste lid
verboden, tenzij ze, conform het derde lid, worden verricht op een
scheepswerf danwel op het terrein van een herstellingsinrichting waarvoor
een vergunning Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgegeven.
Het verbod in het eerste lid is niet alleen van toepassing op de bemanning
van het schip maar ook buitenstaanders (bijv. medewerkers van
onderhoudsbedrijven). Hiervoor is in het eerste lid “een ieder”
toegevoegd.
In het tweede lid heeft het college de bevoegdheid om ontheffing te
verlenen. Hierbij kan men denken aan kleine scheepsreparaties aan boord van
het schip.
Artikel 6.5 Melding van gassen of stoffen (voor binnenlopen
haven)
Zodra bekend is welke stoffen zich aan boord van een nog binnen te lopen
schip bevinden, kan in verband met de veiligheid in de haven een juiste
ligplaats worden aangewezen.
Artikel 6.6 Ontsmetten van schepen (in de haven)
Met ontsmetten wordt in dit artikel bedoeld het behandelen van een schip of
de lading met middelen ter bestrijding van ongedierte. In verband met de
veiligheid is zulks niet op iedere plaats in de haven toelaatbaar. Een
dergelijke behandeling kan tevens voor de omgeving hinderlijke gevolgen met
zich meebrengen.
Artikel 6.7 Boord-boord overslag
Rechtstreekse laad- en losactiviteiten tussen schepen onderling zonder
tussenkomst van een kade, wordt aangemerkt als zogenaamde directe
boord-boord overslag.
De overslag van vloeibare onverpakte gevaarlijke of schadelijke stoffen valt
niet onder de werking van de vergunning Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht van een inrichting. Dit maakt het noodzakelijk een bepaling
op te nemen met betrekking boord-boord overslag van onverpakte vloeibare
schadelijke stoffen tussen schepen. Tevens schept het de mogelijkheid om
nadere regels te stellen.
Het artikel heeft zowel betrekking op overslag tussen zeeschepen en
binnenvaartschepen als op de overslag tussen deze schepen onderling.
Op het bunkeren van schepen, de overslag van brandstoffen en smeeroliën ten
behoeve van de voortstuwing en werktuigen van het schip, alsmede drinkwater
en/of slobafgifte is paragraaf 11 van deze verordening van toepassing.
Paragraaf 7 Toestemming; melding
Artikel 7.1 Toestemming tot bevaren van de haven
De toestemming volgt op de melding tot binnenkomst in of vertrek uit de
haven. Het is van belang dat de havenmeester op de hoogte is van op handen
zijnde scheepsbewegingen in de haven.
Artikel 7.2 Melding bij aankomst en vertrek en bij het wisselen van
ligplaats van een schip
Evenals bij artikel 7.1, is ook deze informatie van belang voor de
havenmeester om tot een goed havenbeheer te komen.
Artikel 7.3 Melding van gevaarlijke en schadelijke stoffen
De havenmeester dient over deze informatie te beschikken opdat tot een goede
indeling van de ligplaatsen kan worden gekomen.
Artikel 7.4 Aanleveren/melden gegevens
In het kader van (inter)nationale wetgeving is de rechthebbende verplicht
gegevens aan te leveren aan de Bevoegde Plaatselijke Autoriteit (BPA), bijv.
in het kader van SafeSeaNet, de Wet voorkoming verontreiniging door schepen,
Regeling vervoer gevaarlijke stoffen met zeeschepen.
Via het havenmanagementsysteem “Portaal” van NV Port of Den Helder is een
koppeling tot stand gebracht met de instanties die deze gegevens moeten
ontvangen, derhalve dienen de gegevens uitsluitend via dit systeem te worden
aangeleverd.
Paragraaf 8 Schepen met gevaarlijke stoffen
Artikel 8.1 Regels voor schepen met gevaarlijke stoffen
Dit artikel is een vervolg/uitwerking op artikel 7.3. In het kader van de
toewijzing van een ligplaats zijn in dit geval bepaalde gegevens nodig,
waarbij ook regels gesteld kunnen worden ingeval van een calamiteit.
Artikel 8.2 Ongelukken en gevaar
Dit artikel komt overeen met artikel 6.3 van de verordening inzake het
melden van stoffen en voorwerpen die in het water terechtkomen. Het gaat
erom dat zo snel mogelijk maatregelen kunnen worden genomen in gevallen
waarop de onderhavige bepaling betrekking heeft, zodat getracht kan worden
eventuele schade, of gevolgen zoveel mogelijk te beperken.
Paragraaf 9 Bijzondere vergunningen
Artikel 9.2 Maken of hebben van werken
Met het oog op de bescherming van de infrastructurele werken in het
havengebied (kaden, bruggen, sluizen) is het niet toegestaan zonder
vergunning van het college op deze infrastructurele werken werkzaamheden te
verrichten waardoor in de plaatselijke toestand wijziging wordt aangebracht.
Het gaat hierbij onder meer over het plaatsen van tanks c.q. containers, het
uitbreiden van bedrijfsvestigingen op kadeterreinen, het gebruik van kranen
e.d.
Paragraaf 10 Ontvangst van schadelijke afvalstoffen van
zeeschepen
Artikel 10.1 Aanwijzing van bedrijven met
ontvangstvoorzieningen
Nederland heeft op 2 juli 1983 het (gewijzigde) Internationaal Verdrag ter
voorkoming van verontreiniging door schepen geratificeerd. Dit zogenaamde
Marpol-Verdrag heeft tot doel verontreiniging van de zee (en van de kusten)
tengevolge van het lozen van schadelijke afvalstoffen van schepen te
voorkomen.
Het betreft afvalstoffen, afkomstig uit de normale bedrijfsvoering aan
boord, zoals olierestanten en oliehoudende mengsels, schadelijke vloeibare
chemicaliën, voor het milieu gevaarlijke stoffen in verpakte vorm, sanitair
afval en vuilnis. Het Marpol-Verdrag is geïmplementeerd in de Wet voorkoming
verontreiniging door schepen (Wvvs).
Op basis van dit artikel kunnen bedrijven worden aangewezen als bedrijf met
ontvangstvoorzieningen, zodat kan worden voldaan aan de wettelijke
verplichting, bedoeld in de Wvvs, om zorg te dragen voor voldoende
voorzieningen, geschikt voor het in ontvangst nemen van restanten van
schadelijke stoffen, afkomstig van zeeschepen, zonder aan deze schepen
onnodig oponthoud te veroorzaken.
Artikel 10.2 Geldigheidsduur van de aanwijzing; beperkingen en
voorschriften
In dit artikel wordt uitgegaan van een geldigheidsduur van 5 jaar; ook
worden beperkingen en voorschriften gegeven waaraan een
havenontvangstvoorziening moet voldoen alvorens in aanmerking te kunnen
komen voor een aanwijzing.
Artikel 10.3 Aanvraag van een aanwijzing
In dit artikel wordt aangegeven welke gegevens, bijv. vergunning Wet
algemene bepalingen omgevingsrecht/milieu, uittrekstel register Kamer van
Koophandel, bij een aanvraag om een aanwijzing moeten worden overlegd.
Artikel 10.4 Verplichtingen van houders van aanwijzingen
Hierin wordt aangegeven dat de houder van de aanwijzing te allen tijde
verplicht is om de aanwijzing te kunnen tonen aan een toezichthoudend
ambtenaar en verplicht is de in de aanwijzing opgenomen voorschriften strikt
na te leven.
Artikel 10.5 Bekendmaking inzake ontvangst gevaarlijke
stoffen
Dit artikel is opgenomen om transparantie te krijgen in welk bedrijf
beschikt over een aanwijzing en welke scheepsafvalstoffen door het
betreffende bedrijf mogen worden ingezameld.
Artikel 10.6 Melding van afgifte van schadelijke stoffen
Een kapitein of schipper is op grond van artikel 12a van de Wvvs verplicht
om vooraf te melden welke schadelijke scheepsafvalstoffen hij van plan is af
te gaan geven in de haven. De regels omtrent de melding en de afgifte zijn
opgenomen in het Haven Afval Plan Port of Den Helder.
Artikel 10.7 Afgifte aan aangewezen bedrijf; verbod voor niet
aangewezen bedrijven
Hierin wordt bepaald dat de afgifte van scheepsafvalstoffen alleen mag
geschieden aan een bedrijf welke in het bezit is van een aanwijzing op grond
van artikel 10.1 van deze verordening.
Paragraaf 11 Bunkeren
Artikel 11.1 Bunkeren
Hier worden algemene regels gesteld betreffende het bunkeren. Vooraf dient
de havenbeheerder op de hoogte worden gesteld van het voornemen tot
bunkeren. Al varende mag er niet worden gebunkerd.
Paragraaf 12 Slot- en strafbepalingen
Artikel 12.1 Aanwijzing
De verordening omvat een groot aantal verschillende operationele
handelingen, waarbij het van belang is dat de havenmeester concrete
aanwijzingen kan gegeven. Deze bepaling schept daartoe de mogelijkheid. Ook
is het mogelijk op grond van het tweede lid van dit artikel om
aanwijzingsbesluiten te nemen, zodat bijv. voor een specifieke kade
specifieke (gebruiks-)voorschriften kunnen worden gegeven.
Artikel 12.2 Toezichthoudende ambtenaren
In dit artikel worden toezichthoudende ambtenaren aangewezen door het
college.
Artikel 12.3 Verplichting tot medewerking en verschaffen van
inlichtingen
Niet alleen de kapitein of de schipper zijn verplicht tot het verlenen van
medewerking en het verschaffen van inlichtingen maar ook andere betrokkenen.
In dit artikel is derhalve ook “een ieder” opgenomen.
Artikel 12.4 Strafbepaling
Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de
tweede categorie.
Artikel 12.5 Intrekking voorgaande verordening
In dit artikel wordt de “Havenverordening Den Helder 1996” ingetrokken.
Artikel 12.6 Bestaande vergunningen, ontheffingen, aanwijzingen,
toestemmingen en daarvoor ingediende aanvragen
In dit artikel wordt het overgangsrecht geregeld. Er wordt bepaald dat
afgegeven beschikkingen op basis van artikel 12.5 bedoelde regelingen hun
geldigheid behouden na inwerkingtreding van de onderhavige verordening onder
de destijds geldende voorwaarden en beperkingen.
Artikel 12.7 Naam en inwerkingtreding
De citeertitel van deze verordening luidt “Havenbeheersverordening Port of
Den Helder 2013”.
De verordening treedt in werking op een door het college te bepalen tijdstip
en het besluit wordt op de voorlichtingspagina van de gemeente Den Helder en
op de site www.havendenhelder.nl gepubliceerd.
Verwijzingen
- Artikel 12
- Artikel 3
- Artikel 1
- Artikel 1
- Artikel 3
- Artikel 8
- artikel 7
- Artikel 3
- Artikel 7
- Artikel 10
- Artikel 12
- Artikel 10
- Artikel 2
- Artikel 5
- Artikel 5
- Artikel 11
- Artikel 7
- Artikel 3
- Artikel 5
- Artikel 1
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 2
- artikel 12
- Artikel 3
- Artikel 1
- Artikel 6
- Artikel 1
- artikel 10
- Artikel 1
- Artikel 5
- artikel 5
- Artikel 12
- Artikel 10
- Artikel 3
- Artikel 5
- Artikel 7
- artikel 7
- Artikel 3
- Artikel 5
- artikel 3
- Artikel 6
- Artikel 10
- Artikel 12
- Artikel 3
- Artikel 6
- Artikel 10
- Artikel 4
- artikel 125 van de Gemeentewet
- Artikel 6
- Artikel 4
- Artikel 7
- Artikel 12
- Artikel 1
- Artikel 9
- Artikel 4
- Artikel 3
- Artikel 5
- Artikel 6
- Artikel 10
- Artikel 6
- Artikel 1
- Artikel 10
- Artikel 12
- Artikel 12
- artikel 5
- Artikel 6
- artikel 6
- Artikel 8