Naar hoofdinhoud

Artikel 10

Intrekking ligplaatsvergunning

Onderdeel van Verordening ligplaatsen I

Burgemeester en wethouders kunnen de ligplaatsvergunning voorts intrekken indien: De ligplaatsvergunning ten gevolge van onjuiste opgave of informatie is verleend; De gegevens in de ligplaatsvergunning niet meer overeenstemmen met de werkelijke situatie; Op de ligplaats voorzieningen zijn aangebracht die niet zijn vermeld op de ligplaatsvergunning; Op grond van een verandering van omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ligplaatsvergunning, de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist, intrekking of wijziging vorderen; In het geval wordt voldaan aan een van de weigeringsgronden als genoemd onder sub b, d, e, f g en i van artikel 4 van deze Verordening of overige bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften; Gedurende zes weken geen pleziervaartuig bij de ligplaats heeft gelegen en, na een aanmaning hiertoe van Burgemeester en wethouders, gedurende een tweede termijn van zes weken door de vergunninghouder geen pleziervaartuig bij de ligplaats wordt aangelegd; De vergunninghouder hierom verzoekt; De vergunninghouder zijn betalingsverplichtingen tot het innemen van een ligplaats niet nakomt; De ligplaats geheel of gedeeltelijk in gebruik is bij een ander dan diegene aan wie de vergunning is verstrekt.

Rechtspraak bij dit artikel