Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.6

– Recidive

Onderdeel van Verordening maatregelen en boetes IOAW en IOAZ 2013

Inleidend dient opgemerkt te worden dat met betrekking tot recidive en met name herhaalde recidive, de uitspraak van de CRvB van 11-03-2008 (LJN BC7032), als richting bepalend dient te worden gezien. Kort samengevat stelt de CRvB in deze uitspraak dat de mogelijkheden van het opleggen van een maatregel bij herhaalde recidive dienen te zijn vastgelegd in de gemeentelijke Maatregelenverordening. Voor wat betreft recidive in geval van het schenden van de inlichtingenplicht (fraude) is de bijbehorende boeteregeling in de wet opgenomen. Lid 1 Indien binnen twaalf maanden na de eerste als verwijtbare aangemerkte gedraging (= besluit tot het opleggen van een maatregel), er wederom sprake is van een zelfde of ernstiger verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de periode waarop de maatregel van toepassing is. Elk besluit tot het opleggen van een maatregel waarbij uit het recidive register blijkt dat er geen sprake is van recidive wordt aangemerkt als “eerste” besluit tot afstemming. Overigens worden ook schriftelijke waarschuwingen en boetes in het recidiveregister bijgehouden. Lid 2 Indien binnen twaalf maanden na de eerste verwijtbare gedraging (= besluit tot het opleggen van een maatregel), er voor een derde maal sprake is van een zelfde of ernstiger verwijtbare gedraging, wordt de nog grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van het percentage van de categorie of vorm waarin de verwijtbare gedraging is omschreven. De periode waarop de maatregel van toepassing is wordt daarbij bepaald op twee maanden. Daar een verdubbeling van het percentage van de vijfde categorie niet mogelijk is, wordt in die gevallen waarin er sprake is van een verwijtbare gedraging die in de vijfde categorie of vorm is omschreven, de duur van de afstemming bepaald op vier maanden. Lid 3 Dit lid spreekt voor zich en behoeft geen nadere toelichting. Lid 4 Dit lid stelt het college in staat om de hoogte en de duur van de afstemming aan te passen aan het feit dat er sprake is van het volharden in het verwijtbare gedrag. Lid 5 Het vijfde lid is in hoofdzaak bedoeld voor personen met een notoir weigerachtig gedrag met betrekking tot de arbeidsinpassing. Dit lid legt vast dat bij blijvende volharding het percentage van de maatregel telkens met 20% verhoogd wordt, voor zover het percentage van 100% niet wordt overschreden. De duur van de periode van de maatregel is gelijk aan de laatste duur van de maatregel + 2 maanden. In de praktijk leidt dit ertoe dat bij het blijvend weigeren om mee te werken aan de arbeidsverplichting, de hoogte van de maatregel kan oplopen tot 100% en kan duren totdat de belanghebbende de tekortkoming heeft hersteld, dus wel gaat meewerken aan de arbeidsverplichting. Indien er sprake is van volharding in verwijtbaar gedrag als omschreven is in de vijfde categorie of vorm, dient enkel de duur van de afstemming aangepast te worden, daar de hoogte van de maatregel al is gemaximaliseerd. Indien de maatregel als zodanig wordt uitgevoerd dient er wel rekening mee gehouden te worden dat de duur van deze maatregel niet leidt tot een voor de belanghebbende sociaal onaanvaardbare situatie. Tevens dient de rechtmatigheid van de verleende uitkering onderzocht te worden daar, gezien de hoogte en de duur van de eerder opgelegde maatregelen, er een reden is om te onderzoeken hoe belanghebbende in zijn levensonderhoud kan voorzien, terwijl er sprake is van een langdurige afstemming tot 100%. Lid 6 Dit lid legt het ijkpunt van de recidive periode vast. Lid 7 Dit lid definieert wat onder een eerste besluit tot het opleggen van een maatregel verstaan dient te worden. Indien een besluit tot het opleggen van een maatregel gegeven wordt en voorafgaand aan dit besluit in een periode van 12 maanden geen besluit tot het opleggen van een maatregel is gegeven, wordt dit besluit tot het opleggen van een maatregel aangemerkt als een eerste besluit tot het opleggen van een maatregel. Daarmee wordt de beoordeling of er sprake is van recidive of van volharding nauwkeurig bepaald. Lid 8 Bij de uitvoering van een besluit tot het opleggen van een maatregel, waarbij de periode van het opleggen van een maatregel langer duurt dan één maand, kan het voorkomen dat ten gevolge van recidive de uitvoering van de maatregel gelijk loopt met of valt in de periode waarin het eerdere besluit tot het opleggen van een maatregel wordt uitgevoerd. In deze gevallen wordt het nieuwe besluit tot het opleggen van een maatregel dat volgt op het eerdere besluit tot het opleggen van een maatregel, uitgevoerd in aansluiting op het eerdere besluit het opleggen van een maatregel. Recidive bij boete In artikel 20a, vijfde lid, IOAW/IOAZ is de recidivetermijn opgenomen. In artikel 20a, zesde lid, IOAW/IOAZ staat dat deze termijn langer is in geval er sprake is van een eerdere overtreding die bestraft is met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. In de Memorie van Toelichting bij de aanscherping van de wet is opgenomen dat de regering bij de definitie van recidive (met betrekking tot het schenden van de inlichtingenplicht) uitgaat van clusters van wetten. Dit betekent dat overtredingen van verschillende uitkeringswetten voor het begrip recidive samengeteld worden als dit gezien de aard van de uitkering in de rede ligt. In artikel 20a, vijfde lid, IOAW/IOAZ is opgenomen dat het college een boete oplegt van ten hoogste 150% van het benadelingsbedrag in geval van recidive. Het college is op grond van artikel 20a, zevende lid IOAW/IOAZ gerechtigd de boete te verlagen of af te zien van het opleggen van een boete.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel