**1..** Het college kan afwijken van de in artikel 2:5, eerste en tweede lid genoemde percentages en duur van de afstemming indien het gestelde in artikel 2:1, tweede lid, daartoe aanleiding geeft of indien er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet en die niet vallen onder de artikelen 2:3 en 2.4.
**2..** Onder een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan wordt begrepen elke verwijtbare gedraging die leidt of heeft geleid tot een verwijtbaar beroep op bijstandsverlening. Hieronder valt in ieder geval een onverantwoorde besteding van vermogen, waaronder begrepen het doen van schenkingen, op een moment dat de noodzaak van bijstandsverlening aanwezig was en redelijkerwijs was te voorzien.
**3..** De verlaging wordt vastgesteld op:
twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot en met € 1.000,-;
veertig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000,- tot en met € 2.000,-;
zestig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot en met € 4.000,-;
honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag groter vanaf € 4.000,-. tot en met € 8.000,-;
honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 8.000,- plus één maand voor elke
€ 2.000,- waarmee het benadelingsbedrag boven € 8.000,- uitstijgt.
**4..** Het bepaalde in het eerste tot en met het derde lid, laat onverlet de mogelijkheid om onder toepassing van artikel 48, tweede lid, onderdeel b van de WWB, het na aftrek van de verlaging resterende recht op bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken tot aan de dag waarop zonder het betoonde tekortschietende besef pas recht op bijstand zou zijn ontstaan.
**5..** Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in artikel 55 WWB zijn opgelegd en deze niet of niet in voldoende mate worden nagekomen, kan het college met inachtneming van artikel 2:1, tweede lid overgaan tot afstemming van 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand. Deze verwijtbare gedraging moet niet vallen onder de artikelen 2:3 en, 2:4 en het benadelingsbedrag, zoals bedoeld in artikel 2:6 lid 3, moet niet bekend zijn.
HOOFDSTUK 2:
Artikel 2:6
– Afwijking van de standaard afstemming
Onderdeel van Verordening Afstemming en boete WWB 2013