De verlaging bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt vastgesteld op:
vijf procent van de bijstand gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;
tien procent van de bijstand gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;
twintig procent van de bijstand gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie onder sub a en b;
twintig procent van de bijstand bij gedragingen van de derde categorie onder sub c en d gedurende de termijn waarmee de bijstandsverlening is vervroegd als gevolg van de gedraging;
honderd procent van de bijstand gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie.
De periode van verlaging van de bijstand, genoemd in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie.