Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 4

Artikel 4

Onderdeel van Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2013

Lid 1 De hoogte van de uitkering van alleenstaanden en alleenstaande ouders is afhankelijk van de mate waarin zij de kosten van het bestaan kunnen delen. Hoe meer kosten kunnen worden gedeeld, hoe lager de toeslag is. Ook gehuwden kunnen schaalvoordelen genieten aangezien zij de kosten van het bestaan kunnen delen omdat zij de door hen bewoonde woning niet alleen bewonen. Deze schaalvoordelen leiden ertoe dat de gehuwdenuitkering wordt verlaagd. Indien er sprake is van inwoning van één kostganger, onder- of kamerhuurder, wordt er niet meer uitgegaan van het kunnen delen van kosten en wordt om die reden ook geen schaalvoordeel meer toegerekend van 10%. Bij kostgangerschap, onder- of kamerhuur kan wel worden gesproken van inkomsten die op de bijstandsnorm in mindering moeten worden gebracht. Voor een nadere uitwerking op dit punt kan worden verwezen naar de toelichting bij artikel 3, derde lid. Lid 2 Het gezamenlijk bewonen van een woning levert schaalvoordelen op. Deze schaalvoordelen treden op omdat de woonlasten kunnen worden gedeeld. De kosten van huur, verzekeringen, vastrecht nutsbedrijven en dergelijke zijn voor personen die een woning delen lager, omdat deze kosten per woning slechts eenmaal in rekening worden gebracht. Deze schaalvoordelen worden berekend op 10 %. Indien er op enigerlei wijze sprake is van het kunnen delen van kosten, wordt de verlaging als gevolg van de optredende schaalvoordelen vastgesteld op 10 % van het netto minimumloon. Met ingang van 1 januari 2010 is aan artikel 26 WWB de volgende zin toegevoegd: “Deze kosten kunnen in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000”. Hiermee heeft de wetgever willen vastleggen dat in bepaalde situaties waarbij meerderjarige kinderen, stief- of pleegkinderen met eigen inkomsten inwonend zijn, de ouders de volledige norm ontvangen. Uit het bepaalde in artikel 4, vijfde lid van de Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2009 kan nog worden afgeleid dat wanneer de woning gezamenlijk wordt bewoond met eigen kinderen, stief- of pleegkinderen die allen 21 jaar of ouder zijn en die eigen inkomsten hebben anders dan uit studiebeurs ingevolgde de Wet Studiefinanciering 2000 of een tegemoetkoming krachtens de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, dan wel een lening als bedoeld in de toelichting van artikel 3, tweede lid, de gehuwdennorm van de ouders wordt verlaagd met 10%. Door de wetswijziging kan hier niet meer van worden uitgegaan. Het vijfde lid van artikel 4 van de verordening is in overeenstemming gebracht met het nieuwe artikel 26 WWB. Dit houdt in dat wanneer sprake is van inwonende eigen kinderen, stief- of pleegkinderen van 21 jaar en ouder met een in aanmerking te nemen inkomen uit arbeid van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering (per 1 januari 2011 € 604,15 per maand) de gehuwdennorm niet wordt verlaagd. Het beleid bij inwonende eigen kinderen, stief- of pleegkinderen van 18 t/m 20 jaar en inwonende eigen kinderen, stief- of pleegkinderen van 21 jaar of ouder met een studiebeurs of lening was hier al ruimer dan waarin eerdergenoemde wetswijziging voorziet, dus behoeft hier geen aanpassing. N.B. Uitvoering Omdat bij thuisinwonende werkende kinderen, stief- of pleegkinderen van 21 jaar en ouder in de regel echter sprake zal zijn van inkomsten die juist hoger liggen dan voornoemd normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, dient in de praktijk te worden gekozen voor een verlaging van de norm met 10% vanwege kostendeling (zie artikel 4, eerste en tweede lid). Wordt door de ouders duidelijk en nadrukkelijk aangetoond dat het inwonend eigen kind, stief- of pleegkind een inkomen heeft dat lager ligt dan het normbedrag dan wordt alsnog de gehuwdennorm verstrekt. Het ligt dan vervolgens wel voor de hand om te kijken of het eigen kind, stief- of pleegkind niet méér inkomsten kan genereren. Lid 3 Indien er sprake is van een tijdelijke noodsituatie waardoor men een ander in huis opneemt of onderdak vindt bij een ander, dan wordt verondersteld dat dit gedurende een maximale termijn geen schaalvoordelen oplevert voor de betrokken partijen. Indien men langer blijft samenwonen dan is er geen sprake meer van een tijdelijke en onvoorziene noodsituatie en dient lid 2 toepassing te vinden. Lid 4 De zorgbehoeftigheid wordt bepaald aan de hand van een CIZ-indicatie waaruit in ieder geval blijkt dat de zorgbehoeftige is aangewezen op 10 of meer uren zorg per week. Er vindt geen verlaging van de norm plaats indien de gehuwden de woning delen met een ander omdat die ander of een van de echtelieden verzorgingsbehoeftig is en anderszins zou zijn aangewezen op intramurale zorg. Zie toelichting in dit verband ook de toelichting bij artikel 3 lid 6. Lid 5 In dit lid is expliciet geregeld dat inwoning van uitsluitend eigen of stiefkinderen jonger dan 21 jaar -ongeacht de aard en de hoogte van hun inkomsten- geen verlaging van de bijstandsnorm tot gevolg heeft. Dit geldt evenzeer als er kinderen van 21 jaar of ouder met een studiebeurs ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 dan wel een tegemoetkoming krachtens de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten inwonen. Ook indien eenduidig geconcludeerd wordt dat een lening als “studiebeurs” moet worden gezien, wordt de maximum toeslag verstrekt. Er kunnen zich immers situaties voordoen waarbij een inwonend kind ouder dan 21 jaar geen studiebeurs meer ontvangt, maar wel een lening, bijvoorbeeld van de Informatie Beheer Groep. Het mag duidelijk zijn dat zo’n lening uiteraard telkens bedoeld is om het volgen van een studie in het kader van de WSF 2000 mogelijk te maken. Verder moet worden aangegeven dat laatstbedoelde lening mag worden aangevuld met inkomsten door het kind. De desbetreffende regels rondom studiebeurs en aanvullende inkomsten in de Wet studiefinanciering 2000 kunnen naar analogie worden toegepast. Lid 6 Echtparen die zelf als onderhuurders, kostgangers of kamerhuurders woonachtig zijn en een marktconforme prijs betalen worden geacht geen schaalvoordelen te hebben als gevolg van het kunnen delen van kosten. In die gevallen is dus geen verlaging van de norm aan de orde (dit geldt dus niet voor de onderVERhuurder of kostGEVER, in het gegeven geval kan er aanleiding zijn voor verlaging van de norm of voor een lagere toeslag). Wat onder marktconforme onderhuurprijs, marktconform kostgeld en marktconforme kamerhuurprijs wordt verstaan is te vinden in art. 1 Begripsbepaling onder lid 1,k,l en m. Ook hier gaat het weer om een commerciële overeenkomst. Een dergelijke overeenkomst (kostgangerschap, onderhuur of kamerhuur) wordt verondersteld niet aanwezig te zijn tussen bloedverwanten in de eerste graad. Verlagingen norm woonsituatie

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel