Hier is gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot verlaging van norm en/of toeslag als aangegeven in artikel 28 van de wet. Degene die recentelijk het onderwijs of de beroepsopleiding heeft beëindigd, op grond waarvan er aanspraak bestond op een toelage in het kader van de Wet studiefinanciering 2000 dan wel de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, ontvangt een lagere uitkering.
Voor alle duidelijkheid wordt hier nog eens aangegeven dat de soort scholing of studie maatgevend is voor de aanspraak op een toelage op basis van de Wet Studiefinanciering 2000 of een tegemoetkoming krachtens de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Het maakt dus niet uit of de belanghebbende zelf recht had op een dergelijke toelage.
De bijstandsuitkering ligt veelal aanmerkelijk hoger dan de bedragen voor levensonderhoud die in het kader van de studiefinanciering gelden. Er wordt vanuit gegaan dat de belanghebbende tijdens de studieperiode de bestedingen heeft afgestemd op het beperkte inkomen uit studiefinanciering en dat de noodzakelijke bestaanskosten niet onmiddellijk toenemen als de studie wordt beëindigd en belanghebbende vervolgens als schoolverlater op bijstand aangewezen raakt (afgaande op de toelichting bij artikel 28 van de wet, speelt de invloed van inkomsten bijvoorbeeld uit arbeid of stagevergoeding van belanghebbende tijdens de studie in deze geen rol). Gezien het vorenstaande, wordt er een korting toegepast van 25% op norm en/of toeslag. De verlaagde uitkering geldt voor een periode van zes maanden. Deze neemt zijn aanvang op de eerste van de maand, die volgt op de maand waarin het onderwijs of de beroepsopleiding is beëindigd. De precieze datum van beëindiging zal moeten blijken uit een schriftelijk bewijs van uitschrijving van de betreffende onderwijsinstantie.
Indien tussentijds de bijstandsverlening wordt beëindigd als gevolg van werkaanvaarding, heeft dit geen invloed op de termijn van zes maanden. Doet belanghebbende binnen die termijn weer een beroep op bijstand, dan wordt opnieuw de schoolverlaterskorting toegepast voor de dan nog resterende tijd. Een belanghebbende/schoolverlater die bijvoorbeeld direct na beëindiging van het onderwijs 2 maanden WWB met schoolverlaterskorting ontvangt, vervolgens 3 maanden geen recht op uitkering heeft vanwege inkomsten uit arbeid en die daarna weer aanspraak op WWB maakt, moet dan nog 1 maand schoolverlaterskorting krijgen.
N.B. Bij alleenstaande ouders of gehuwden kan zich het probleem voordoen dat na de schoolverlaterskorting een bijstandsnorm overblijft die láger is dan de toepasselijke Wsf-norm voor levensonderhoud. Dit is niet in overeenstemming met het doel van de korting. Met de korting wordt beoogd de uitkering zoveel mogelijk te laten aansluiten op de geldende Wsf-norm voor levensonderhoud. Daarom wordt voorgesteld in het voorkomende geval (alleenstaande ouder of gehuwden) op de uitkering wel de schoolverlaterskorting toe te passen, maar de uiteindelijke hoogte van de bijstandsnorm vervolgens af te stemmen op de Wsf-norm voor levensonderhoud als bedoeld in artikel 33, tweede lid van de wet vermeerderd met de eenoudertoeslag danwel de partnertoeslag in het kader van de Wsf-2000.
F.Hoofdstuk 5: Slotbepalingen
F.Artikel 8
F.De Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2013 treedt in werking met ingang van 1 februari 2013. Dit houdt in dat de bestaande Verordening toeslagen en verlagingen WWB 2010, vastgesteld op 1 juni 2010 en gewijzigd op 20 december 2011, per 1 februari 2013 wordt ingetrokken.