Het college kan met inachtneming van artikel 9, tweede lid van de WWB, onderscheidenlijk artikel 37a van de IOAW en de IOAZ bepalen dat aan belanghebbende, tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van de in artikel 4, eerste lid, en artikel 4, derde lid, van deze verordening genoemde verplichtingen. Deze ontheffing kan worden verleend indien en voor zover:
de combinatie van zorg en arbeid of de combinatie van zorg en voorziening niet mogelijk is voor de alleenstaande of alleenstaande ouder;
op grond van een medische keuring vaststaat dat belanghebbende om psychische dan wel fysieke redenen niet in staat is om te werken;
een traject wordt gevolgd ingevolge de Wet inburgering (WI).
Zorgtaken (waaronder mantelzorg) zijn alleen een reden voor ontheffing van de arbeidsplicht, voor zover er geen mogelijkheden zijn om een andere voorziening in te zetten.
Ontheffing van de arbeidsplicht wordt slechts voor een door het college vast te stellen periode verleend.
Op basis van een herbeoordeling kan het college besluiten een ontheffing na afloop van de vastgestelde periode te verlengen.