Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub g, onderdeel 5 en 6, van de Wet en in artikel 1.1. onder d van deze Verordening kan voor de in artikel 6.1, sub b en c, genoemde voorziening in aanmerking worden gebracht, indien
aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of functiebeperking het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in artikel 6.1, sub a, onmogelijk maken, dan wel
een collectief systeem als bedoeld in artikel 6.1, sub a, niet aanwezig, dan wel niet-toereikend is.