Naar hoofdinhoud

Artikel 14.

Ruiming, bezorging van overblijfselen en as.

Onderdeel van Verordening op het beheer en het gebruik van de gemeentelijke begraafplaatsen 1999

1.. Het voornemen van het college van Burgemeester en Wethouders om een graf of een grafveld te ruimen wordt gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop het graf geruimd zal worden op een bij het te ruimen graf te plaatsen bordje ter kennis van de belanghebbenden gebracht, tenzij het adres van de rechthebbende op het graf aan hen bekend is. In dat geval stellen zij hem uiterlijk een jaar voorafgaande aan het bedoelde tijdstip per brief van hun voornemen in kennis. 2.. De bij de ruiming van het graf nog aanwezige overblijfselen van lijken worden begraven en de as wordt verstrooid op een van de daartoe bestemde, afgesloten gedeelten van de begraafplaatsen. 3.. Nabestaanden van een overledene die begraven is in een algemeen graf kunnen gedurende de in het eerste lid bedoelde termijn het college van Burgemeester en Wethouders verzoeken bij ruiming de overblijfselen, indien mogelijk, bijeen te doen brengen voor herbegraving elders. 4.. De rechthebbende op een eigen graf of familiegraf kan het college van Burgemeester en Wethouders schriftelijk verzoeken om de overblijfselen te doen verzamelen om deze opnieuw in dezelfde grafruimte te doen plaatsen dan wel om deze elders opnieuw te doen begraven. 5.. De rechthebbende op een eigen urnenkelder of urnennis kan het college van Burgemeester en Wethouders vragen deze ter beschikking te houden om elders bij te zetten of te doen verstrooien.

Rechtspraak bij dit artikel