**1..** Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, en anders
dan genoemd in de hoofdstukken 2 en 3 wordt een maatregel opgelegd
die wordt afgestemd op artikel 2, tweede lid van deze verordening
dan wel op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn
gedraging eerder of langer een beroep doet op bijstand.
**2..** Als tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid,
van de WWB worden onder andere de volgende gedragingen
aangemerkt:
het op verzoek niet terstond ter inzage verstrekken van een
geldig legitimatiebewijs (art. 17, lid 4 WWB);
het niet meewerken aan het verrichten van noodzakelijke
betalingen uit de toegekende bijstand (budgettering art. 57,
sub a WWB;
het niet meewerken aan een schuldsanering (art. 55 WWB);
het niet meewerken aan een noodzakelijke behandeling van
medische aard (art. 55 WWB);
niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding tot
stand te brengen (art. 55 WWB);
verkoop woning beneden de waarde (art. 55 WWB);
te snelle intering van vermogen (art. 55 WWB);
onderbedeling bij echtscheiding (art. 55 WWB);
te late of geen aanvaarding voorliggende voorziening (art.
55 WWB);
het niet afsluiten van een zorgverzekering of het niet
afsluiten van een adequate zorgverzekering (artikel 1 sub
j).
Hoofdstuk 4.
Artikel 15.
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Maatregelenverordening Wet Werk en bijstand 2009