Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 7.

Indeling in categorieën

Onderdeel van Maatregelverordening gemeente Arnhem

De gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling negatief beïnvloeden worden in drie categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidende criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van betaalde arbeid. Eerste categorie De eerste categorie onder 1 betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Inschrijving bij het UWV is voor belanghebbenden met perspectief op de arbeidsmarkt van het grootste belang. Het niet verlengen van een inschrijving bij het UWV wordt als minder zwaarwegend gezien voor belanghebbenden waarvoor het inzetten van re-integratie-instrumenten niet zinvol wordt geacht. Voor deze belanghebbenden komt het erop neer dat zij voor het niet verlengen van de inschrijving bij het UWV geen maatregel opgelegd krijgen. Tweede categorie De gedragingen uit de tweede categorie hebben betrekking op de plicht tot arbeidsinschakeling. Onder 1 betreft het de verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren. Met het begrip "algemeen geaccepteerde arbeid" wordt bedoeld arbeid die algemeen maatschappelijk aanvaard is. Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan: parttime of fulltime, tijdelijk of voor onbepaalde duur. Ook arbeid als zelfstandige kan “algemeen geaccepteerde arbeid” zijn. Werkzaamheden die niet algemeen geaccepteerd zijn, zijn bijvoorbeeld prostitutie en -onder omstandigheden- werkzaamheden die gewetensbezwaren oproepen. Arbeid tegen een loon dat lager is dan het minimumloon is evenmin "algemeen geaccepteerd". Onder 2 gaat het zowel om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen, als om niet verantwoorde beperkingen die de belanghebbende stelt ten aanzien van de voor hem of haar aanvaardbare arbeid. Negatieve gedragingen kunnen onder meer tot uitdrukking komen in de wijze waarop de belanghebbende zich bij een sollicitatie opstelt, de wijze waarop hij/zij zich kleedt etc. . Onder 3 wordt gedoeld op die situaties waarin een belanghebbenden die zich reeds zodanig coöperatief heeft opgesteld dat hij in een traject/voorziening zit, zich niet aan de regels m.b.t. dat traject/die voorziening houdt. Het gaat om een als licht aan te merken gedraging, bijv. te laat komen. Een dergelijke gedraging meteen zwaar bestraffen met een fikse maatregel volgens categorie 3 is buitenproportioneel en zal in dergelijke gevallen ook slechts demotiverend werken. Toch kan het nodig zijn in dergelijke situaties een duidelijk signaal af te geven dat de verplichting om trajectafspraken na te komen wel nageleefd moet worden. Onder 4 wordt verstaan de situatie dat een belanghebbende twee keer niet is verschenen op een oproep voor een gesprek waarin met hem de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling zouden worden besproken (het zgn. doelmatigheidsgesprek). De eerste keer zonder tegenbericht niet verschijnen wordt beantwoord met een officiële schriftelijke waarschuwing (zie artikel 11). Drie keer niet verschijnen valt onder de derde categorie van dit artikel. Derde categorie In de derde categorie gaat het om gedragingen die indirect of direct tot gevolg (kunnen) hebben dat de bijstandsafhankelijkheid zonder noodzaak langer voortduurt . Het gaat hier om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling ernstig verminderen of zelfs onmogelijk maken. Hieronder valt het niet of onvoldoende gebruik maken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (waaronder sociale activering) en het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden van arbeidsinschakeling of aan het opstellen en evalueren van een plan van aanpak. Dit vloeit voort uit de verplichting tot arbeidsinschakeling die de belanghebbende op grond van artikel 9 Wwb bij aanvang van de uitkering (of later) krijgt opgelegd. Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende herhaaldelijk niet verschijnt op afspraken die gericht zijn op (onderzoek naar) de arbeidsinschakeling, of opdrachten in het kader van een scholing, traject of plan van aanpak niet naar behoren uitvoert. Ingevolge artikel 44, vierde lid van de Wwb wordt bij het besluit tot toekenning van algemene bijstand aan belanghebbenden jonger dan 27 jaar een bijlage gevoegd met een plan van aanpak. Het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b van de wet valt ook onder de derde categorie. Het niet meewerken aan de uitvoering van het plan van aanpak kan, afhankelijk van de vraag aan welke verplichting precies niet meegewerkt wordt, ook in één van de andere categorieën vallen. Vierde categorie In deze categorie gaat het om gedragingen die een directe relatie hebben met het ontstaan of het voortduren van de bijstandsafhankelijkheid. Onder 1 gaat het om houding en gedrag waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de belanghebbende de verplichtingen die hem zijn opgelegd op grond van artikel 9, eerste lid, of artikel 55 Wwb niet wil nakomen. Voor belanghebbende jonger dan 27 jaar verbindt de wet daar zelf gevolgen aan: de bijstand wordt geweigerd (art. 13, tweede lid sub d Wwb). Daarom wordt deze categorie bijstandsgerechtigden in artikel 6a van deze verordening uitgezonderd van toepassing van deze maatregel. Voor belanghebbenden van 27 jaar of ouder wordt deze gedraging echter evengoed zwaar aangerekend. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als belanghebbende stelselmatig weigert zijn medewerking te verlenen aan een voor hem uitgezet traject richting arbeidsinschakeling waardoor er geen enkele beweging richting uitstroom uit de uitkering meer plaatsvindt. Dit kan pas geconstateerd worden als er al eerder een passende maatregel is opgelegd van minimaal 50% en dit niet tot resultaat heeft geleid. Deze groep uitkeringsgerechtigden neemt bewust geen of volstrekt onvoldoende verantwoordelijkheid voor het vergroten van de eigen zelfredzaamheid en is vaak totaal ongemotiveerd.In de meeste gevallen gaan deze uitkeringsgerechtigden over naar de dienstverlening vanuit het INU-project (Intensief naar uitstroom). Om deze specifieke en in omvang dus heel beperkte groep die herhaaldelijk en pertinent niet meewerkt aan arbeidstoeleiding te kunnen stimuleren richting arbeidsinschakeling is een maatregel van 100% mogelijk. Onder 2 gaat het om het weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid (voor de definitie hiervan wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede categorie) dan wel gesubsidieerde arbeid. Het moet hierbij gaan om een concreet aanbod. Gelet op de vergaande gevolgen van de 100%-maatregel kan deze voor belanghebbenden met een lopende uitkering slechts worden toegepast in situaties zoals geschetst onder 1: er moet sprake zijn van een herhaaldelijk niet meewerken aan arbeidstoeleiding en er moet dus al eerder een passende maatregel zijn opgelegd (van minimaal 50%) die niet tot resultaat heeft geleid. Het daadwerkelijk doen van een concreet (al dan niet gesubsidieerd) arbeidsaanbod is in sommige situaties een uiterste poging om de uitkeringsgerechtigde tot uitstroom te bewegen. Wordt hier niet aan meegewerkt dan blijft men zeer verwijtbaar afhankelijk van een bijstandsuitkering en is een maatregel van de zwaarste categorie gerechtvaardigd. Onder 3 gaat het om verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld een ontslag op staande voet wegens werkweigering of ontslag op eigen verzoek, dan wel het verwijtbaar niet behouden van gesubsidieerde arbeid. Aangezien deze gedraging rechtstreeks tot gevolg heeft dat men bijstandsafhankelijk wordt en dit volledig aan het eigen gedrag te wijten is, valt deze vanzelfsprekend in de zwaarste categorie van verwijtbare gedragingen. Er wordt onder 2 en 3 geen onderscheid gemaakt tussen het niet accepteren/ behouden van gesubsidieerde arbeid en van reguliere arbeid. Reden hiervoor is dat het niet accepteren of behouden van gesubsidieerde arbeid dezelfde gevolgen heeft voor het ontstaan of voortduren van de bijstandsafhankelijkheid als het niet accepteren of behouden van reguliere arbeid. Het feit dat iemand gesubsidieerde arbeid wordt aangeboden betekent dat zijn kansen om reguliere arbeid te verwerven gering ingeschat worden, hetgeen eens te meer rechtvaardigt dat het niet accepteren van een dergelijk aanbod in de zwaarste categorie is ingedeeld. De gedragingen onder 2 en 3 kunnen plaatsvinden tijdens de bijstandsverlening, maar ook daaraan voorafgaand. Tijdens de bijstandsverlening zijn de gedragingen verwijtbaar op grond van het niet nakomen van aan de bijstand verbonden verplichtingen, te weten de verplichtingen van artikel 9 Wwb. Voorafgaand aan de bijstandsverlening vloeit de verwijtbaarheid voort uit de eigen verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Deze verantwoordelijkheid impliceert de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid of gesubsidieerde arbeid te behouden of te accepteren en zo te voorkomen dat men bijstandsafhankelijk wordt. Schiet men in deze verantwoordelijkheid tekort dan is dat een verwijtbare gedraging van de vierde categorie. Het spreekt voor zich dat gelet op de zwaarte van de bij deze categorie behorende maatregel, 100%, deze slechts kan worden opgelegd na zeer zorgvuldige toetsing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel