Nadat belanghebbende(n) 36 maanden op een minimum inkomen is (zijn) aangewezen is er over het algemeen niet veel reserveringsruimte over. Daarom wordt hier een termijn van 36 maanden aangehouden. Dit sluit impliciet ook aan bij de termijn, zoals die gold bij laatste wijziging van het wetsartikel over de langdurigheidstoeslag. De leeftijd waarop recht bestaat op een langdurigheidstoeslag is destijds door de wetgever namelijk teruggebracht van 23 naar 21 jaar. Een belanghebbende is vanaf zijn 18e voor de WWB een zelfstandig rechtssubject. Het verschil tussen 18 en 21 jaar is dus de termijn van 36 maanden.
Het begrip ‘langdurig, laag inkomen’ wordt ingevuld als een inkomen dat niet hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Hiermee wordt voldaan aan de nieuwe eis, zoals genoemd in artikel 36 lid 6 van de WWB en is tevens een grens gekozen die gelijkluidend is in de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen. Ook dient te worden voldaan aan het gestelde in artikel 36 lid 4 WWB, waarin is bepaald dat er geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 WWB aanwezig mag zijn.