Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3 › Paragraaf 2

Artikel 14

Spreekrecht burgers

Onderdeel van Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad

1.. Na de opening van de vergadering wordt gedurende maximaal een half uur aan insprekers de gelegenheid geboden om het woord te voeren over geagendeerde onderwerpen. 2.. Het woord kan niet gevoerd worden: over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van personen; om bezwaar te maken tegen een besluit als bedoeld in artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht; om een klacht in te dienen als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht; over een zaak die onderwerp is van een geschil met de gemeente of een gemeentelijk bestuursorgaan, lopende bezwaar-, beroeps- of andere gerechtelijke procedure. 3.. Met betrekking tot een voorstel dat in een raadscommissie (De Mening) is voorbesproken, geldt het spreekrecht alleen voor personen die van het spreekrecht in de raadscommissie (De Mening) gebruik hebben gemaakt. 4.. Degene, die van het spreekrecht gebruik willen maken, meldt dit voor de aanvang van de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het woord wil voeren. 5.. De voorzitter geeft de insprekers het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering. 6.. Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd. 7.. De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft verleend, vanaf de plaats die de voorzitter aanwijst. Het bepaalde in artikel 23, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. 8.. Voordat de raad de behandeling van de agenda voortzet wordt de vergadering voor ten minste 15 minuten geschorst.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel