De cliënt, dan wel diens vertegenwoordiger, verschaft het college de
gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover
hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
Bij het onderzoek, zoals bedoeld in artikel 6, stelt het college de
identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.