Een gesprek maakt onderdeel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt
gevoerd met de cliënt of zijn wettelijk vertegenwoordiger. De cliënt
kan worden bijgestaan door zijn wettelijk vertegenwoordiger, zijn
mantelzorger of een andere persoon uit zijn sociaal netwerk. In
geval het gesprek gevoerd wordt met een wettelijk vertegenwoordiger
van de cliënt, dan kan deze worden bijgestaan door de mantelzorger
van de cliënt of een andere persoon uit het sociaal netwerk van de
cliënt.
De factoren, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid van de wet, maken
deel uit van het onderzoek en vormen de basis voor het gesprek als
bedoeld in het eerste lid.
Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het
gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt
de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.
Als de hulpvraag van de cliënt en diens gegevens en bescheiden
genoegzaam bekend zijn, kan het college onverminderd het bepaalde in
artikel 2.3.2 van de wet, met uitdrukkelijke instemming van de
cliënt, afzien van een gesprek.