Ten aanzien van overledenen kunnen er zich twee situaties voordoen waarin de gemeente betrokken wordt bij de lijkbezorging:
nabestaanden weigeren in de lijkbezorging te voorzien;
er zijn (momenteel) geen nabestaanden te vinden.
Uitgangspunt van de Wlb is dat de nabestaanden primair verantwoordelijk zijn voor de uitvaart. Verder is het uitgangspunt van de wetgever dat de zorg voor de lijkbezorging niet alleen afhankelijk is van familierechtelijke- en erfrechtelijke betrekkingen, maar ook van de feitelijke betrekkingen. Ook van vrienden, kennissen of buren kan en mag in bepaalde gevallen verwacht worden dat zij de uitvaart (laten) verzorgen. Volgens de wetgever moet duidelijk zijn dat de lijkbezorging geen taak van de overheid is, maar een zaak van zorg voor elkaar. De wetgever noemt dan ook nadrukkelijk geen specifieke persoon die aansprakelijk- en verantwoordelijk is voor de lijkbezorging en bepaalt dus ook niet wie de meest betrokken nabestaande zou zijn.
Indien werkelijk niemand in de lijkbezorging voorziet en daartoe dus geen enkel initiatief ondernomen wordt, dan dient de burgemeester daarvoor zorg te dragen. Als het lijk zich in een woning bevindt dan kan de burgemeester of een ambtenaar van politie, voorzien van een last van de burgemeester, de woning binnentreden. Zie het tweede lid van artikel 21 Wlb.
De gemeente dient uiterst terughoudend te zijn in het regelen en verzorgen van de begrafenis. De artikelen 21 en 22 van de Wlb zijn primair bedoeld om de lijkbezorging te regelen van mensen zonder nabestaanden, waarbij niemand in actie kan komen. De artikelen zijn niet bedoeld om financiële problemen van mensen/nabestaanden op te lossen.
Het is dus zaak om nabestaanden te manen tot het ondernemen van actie. Deze kan bijvoorbeeld bestaan uit het sluiten van een lening, het houden van een inzameling onder familie en vrienden of het aanvragen van bijzondere bijstand. Veelal is het ook zo dat als er familie is, de gemeente een verhaalsrecht heeft op de familie ((ex) echtgenoot, ouders, kinderen, aangehuwde kinderen, schoonouders en stiefouders; artikel 1:392-396 BW) en de familie toch moet betalen. Het via de gemeente laten lopen van een uitvaart betekent dan alleen maar een omweg.
Naast een financiële plicht rust er op bloed- en aanverwanten (zoals hiervoor genoemd) ook een morele plicht om de uitvaart te verzorgen. Er is echter voor nabestaanden geen juridische verplichting om een uitvaart te verzorgen, echter wel (in sommige hiervoor genoemde gevallen) om de kosten te betalen.
Wel geeft de wetgever in artikel 22 Wlb de mogelijkheid om de kosten van een begrafenis te verhalen op de bloed- en aanverwanten als niemand voor de lijkbezorging zorg draagt en de burgemeester dat moet doen. Maar er is geen wettelijke plicht om de lijkbezorging te regelen.
Wanneer de nabestaanden bewust geen actie ondernemen moet de gemeente optreden. Omdat een uitvaart altijd (relatieve) haast heeft, is het in sommige gevallen (wanneer het lijk in de openbare ruimte ligt of bij zomers weer in een woning) denkbaar dat met een uitvaartverzorger de afspraak gemaakt wordt dat in eerste instantie alleen de eerste verzorging (weghalen overledene en bewaren in mortuarium) gebeurt en (nog) niet de gehele uitvaart. Er is dan tijd voor (het zoeken van en) overleg met de nabestaanden. De kosten kunnen in het kader van zaakwaarneming verhaald worden.
Artikel 1.
Uitgangspunten
Onderdeel van Beleidsnotitie uitvoering artikel 20 tot en met 22 Wet op de lijkbezorging