De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt slechts voor de IOAZ en vangt al voordat de uitkering wordt aangevraagd aan. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan uitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de uitkering hiermee rekening kan houden door het toepassen van een maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen blijken, zoals een onverantwoorde besteding van vermogen (IOAZ), geen of te laat een beroep op een voorliggende voorziening doen en/of het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van een alimentatievordering. Om een positieve gedragsverandering te bewerkstelligen bij het niet opeisen van periodieke rechten zoals een toeslag op een uitkering van het UWV of alimentatie, wordt de maatregel in deze gevallen voor de duur van het tekortschietend besef vastgesteld.
Artikel 11
Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Onderdeel van Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ