**1..** De hoogte van een persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of niet-woontechnische aard als bedoeld in artikel 6.6 lid 1 sub c van de Verordening is gelijk aan de totale kosten van de goedkoopst compenserende voorziening gedurende de economische levensduur die de contractleverancier bij de gemeente in rekening zou hebben gebracht in geval van levering in natura.
**2..** De hoogte van een te verlenen persoonsgebonden budget voor woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of niet-woontechnische aard als bedoeld in artikel 6.6 lid 1 sub c van de Verordening bedraagt, indien de voorziening niet door een leverancier in natura kan worden geleverd, 100% van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten van de goedkoopst compenserende voorziening zoals opgenomen in de door het college geaccordeerde offerte.
**3..** Indien de woonvoorziening als bedoeld in artikel 6.6 lid 1 sub c van de Verordening bestaat uit een woningsanering welke blijkens een medisch advies noodzakelijk is wegens rolstoelgebruik, huisstof- of huismijtallergie, astma of chronische bronchitis, dan bedraagt de hoogte van de vergoeding:
100% van de kosten als het te vervangen artikel niet ouder is dan 2 jaar;
75% van de kosten als het te vervangen artikel tussen de 2 en 4 jaar oud is;
50% van de kosten als het te vervangen artikel tussen de 4 en 6 jaar oud is;
25% van de kosten als het te vervangen artikel tussen de 6 en 8 jaar oud is;
0% van de kosten als het te vervangen artikel 8 jaar of ouder is, met dien verstande dat bij het bepalen van de kosten wordt aangesloten bij de maximale bedragen zoals vermeld in de Prijzengids van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting.
HOOFDSTUK 2:
Artikel 2.9
Kosten van woonvoorzieningen van niet-bouwtechnische of niet-bouwkundige aard
Onderdeel van Besluit nadere regels Wmo 2013