Naar hoofdinhoud

Artikel 3.3

Verplichtingen verbonden aan het persoonsgebonden budget

Onderdeel van Besluit nadere regels Wmo 2013

1.. De persoon aan wie een persoonsgebonden budget is verleend, is verplicht dit budget te besteden aan het in het besluit genoemde resultaat. 2.. De persoon aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend in verband met een voorziening als bedoeld in artikel 6.6 lid 1 sub c, artikel 6.11 lid 1 sub c, d, f en g en artikel 6.13 van de Verordening is verplicht om voor de voorziening een verzekering tegen schade en diefstal af te sluiten. 3.. De persoon aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend voor hulp bij het huishouden is verplicht om bij de besteding van het budget, voor zover van toepassing, de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake de privaatrechtelijke dienstbetrekking alsmede de bepalingen in de vigerende belastingwetgeving in acht te nemen. 4.. De persoon aan wie een persoonsgebonden budget is verleend en die met dit budget is overgegaan tot aanschaf van een voorziening is verplicht om, ingeval de voorziening voor afloop van de economische levensduur niet meer wordt gebruikt, de voorziening in eigendom over te dragen aan het college. 5.. Degene aan wie een persoonsgebonden budget is toegekend, dient gedurende een periode van vijf jaar alle (kopieën van) rekeningen, betalingsbewijzen, overeenkomsten en overige documenten met betrekking tot de besteding van het persoonsgebonden budget ter controle beschikbaar te houden. 6.. Het college kan aan het persoonsgebonden budget voor de voorzieningen als bedoeld in de Verordening verplichtingen verbinden die verband houden met: de aard van de voorziening; kwaliteitseisen aan de voorziening; kwaliteitseisen aan de leverancier van de voorziening; een rechtmatig en doelmatig gebruik van de voorziening; een rechtmatige besteding van de middelen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel