Als het gaat om het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel is het te bereiken resultaat dat de aanvrager zich met een of ander vervoermiddel binnen zijn eigen woonplaats en het direct daaromheen gelegen gebied (zijn directe woon-en leefomgeving) kan verplaatsen.
Die verplaatsingen moeten passen in het kader van het leven van alledag. Het gaat in de Wmo in beginsel om verplaatsingen die de gemiddelde Nederlander in zijn/ haar eigen woonomgeving maakt. Verplaatsingen nodig voor het doen van boodschappen ( zodat ook op deze wijze het resultaat van het kunnen beschikken over de eerste levensbehoeften wordt bereikt), nodig om op bezoek te gaan, nodig om naar artsen, paramedici, specialisten en voor ziekenhuisonderzoek, voor zover het zogenaamde zittend ziekenvervoer daar geen oplossing voor biedt. In deze situatie kan extra vervoer ter compensatie geboden worden. Ook het vervoer om in de natuur te zijn, al dan niet met familie of vrienden, of het vervoer om een kerk, een sporthal, of een museum te bezoeken valt onder de compensatieplicht.
Het gaat in de Wmo in ieder geval niet om verplaatsingen die te maken hebben met verplaatsingen in het kader van een betaalde baan. Heeft men voor dat soort verplaatsingen een aparte voorziening nodig dan zal deze voorziening niet onder de compensatieplicht vallen maar vergoed dienen te worden vanuit de voorzieningen ten behoeve van werken: zoals de Wia.
Daar waar een voorliggende voorziening op grond van een andere wettelijke regeling aanwezig is, zoals het AWBZ vervoer naar de dagbesteding, bestaat er geen aanspraak op Wmo vervoer (artikel 1, onder p verantwoordelijkheidsladder onder c wat kan met een algemene/ voorliggende voorziening?). De organisatie en bedrijfsvoering van dit vervoer is aan de partij die hiervoor op basis van de betreffende wet (in deze de AWBZ) de verantwoordelijkheid heeft gekregen. Onmogelijkheden in organisatie en /of bedrijfsvoering (bijvoorbeeld door bezuinigingen) mogen niet afgewenteld worden op het Wmo vervoer.
Voor verplaatsingen buiten de directe woon-en leefomgeving wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is aanvullend op de door de Wmo te compenseren voorzieningen en valt buiten de verantwoordelijkheid van het College van burgemeester en wethouders. Valys regelt het vervoer wanneer de pashouder een vervoersbehoefte heeft die verder reikt dan 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder. De gemeente is verantwoordelijk voor de vervoersbehoefte van de pashouder tot en met vijf OV-zones vanaf diens woonadres of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand tot en met 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder.
De omvang van de op grond van de Wmo te bieden compensatie zal over het algemeen liggen tussen 1500 en 2000 kilometer per jaar. Het kan voorkomen dat er een grotere vervoersbehoefte bestaat. Van belang is allereerst vast te stellen of dat een realistische vervoersbehoefte is, gezien de medische, maar ook gezien de financiële situatie van de aanvrager. Immers, met een laag inkomen kan men wel de wens hebben veel verplaatsingen te maken, maar omdat voor iedere Nederlander verplaatsen een prijskaartje heeft zal dat ook voor mensen met een handicap gelden. Daarbij is het van belang vast te stellen of de vervoersbehoefte hiermee spoort.
Artikel 10
Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel
Onderdeel van Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Moerdijk