Voor niet-inrichtingen bestaat geen vergunningplicht als gevolg van de Wet milieubeheer. Dit geeft het gemeentebestuur de mogelijkheid om regulerend op te treden op basis van de APV. In de APV is voorzien in een vergunningstelsel, waarbij de burgemeester het bevoegde gezag is. Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:
de openbare orde;
het voorkomen of beperken van overlast;
de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;
de zedelijkheid of de gezondheid.
De verordening kan verder de beleidsvrijheid van de burgemeester inperken door grenzen te stellen naar ruimte en tijd. Zo kan worden bepaald in welke gebieden van de gemeente een evenement kan plaatsvinden en in welke niet. Ook kan het tijdstip worden vastgesteld waarop het evenement in ieder geval moet zijn beëindigd. Daarnaast kent de verordening procedure-eisen betreffende de aanvraag van een evenementenvergunning.
In de APV Olst-Wijhe zijn op twee plaatsen bepalingen opgenomen die van belang zijn voor evenementen:
Orde en veiligheid op de weg: Vergunningplicht voor o.a. straatfeesten, vertoningen aan publiek op de weg en wedstrijden op de weg (art. 2.1.4.1, afdeling 1, hoofdstuk 2 Openbare orde);
Toezicht op evenementen: Hierin wordt gesteld dat voor evenementen die voor publiek toegankelijk zijn, een vergunning nodig is die door de burgemeester moet worden afgegeven (afdeling 2 van hoofdstuk 2 Openbare orde);
In aanvulling op het bovenstaande zijn de artikelen 1.4, 2.2.2, 4.1.5 van de APV aan de orde:
Artikel 1.4 (voorschriften en beperkingen)
Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. De voorschriften en beperkingen mogen slecht strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
Artikel 2.2.2 (evenement)
Dit artikel verbiedt in het eerste lid: het organiseren van evenementen zonder vergunning van de burgemeester. In het tweede lid worden limitatief de weigeringgronden opgesomd.
Uit jurisprudentie blijkt dat de burgemeester en niet het college geluidsvoorschriften kan opnemen in een evenementenvergunning. Wanneer een evenementenvergunning wordt verleend is artikel 4.1.4 van de Algemene plaatselijke verordening niet van toepassing, ook al is duidelijk dat er geluidhinder wordt veroorzaakt. Het is in dat geval de taak van de burgemeester om voldoende geluidsvoorschriften op te nemen in de vergunning.
Artikel 4.1.5 (overige geluidshinder)
Dit artikel verbiedt in het eerste lid: het in werking hebben van toestellen of geluidsapparaten, of handelingen te verrichten, op een zodanige wijze dat voor omwonenden of overigens voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt. Het tweede lid biedt het college de mogelijkheid een ontheffing te verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod. Het derde lid vermeldt dat het eerste lid niet van toepassing is wanneer de in het derde lid opgesomde wetgeving van toepassing is, waaronder de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.
Wanneer het gaat om activiteiten, niet zijnde een evenement, waarbij gebruik gemaakt wordt van toestellen of geluidsapparaten, of handelingen worden verricht, op een zodanige wijze dat voor omwonenden of overigens voor de omgeving geluidshinder wordt veroorzaakt, is het de taak van het college om aan de verleende ontheffing voldoende geluidsvoorschriften te verbinden.
De grondslag van deze nota ligt in artikel 1.4. APV. Hieruit blijkt dat de voorschriften en voorwaarden zoals deze worden beschreven in de onderliggende nota kunnen worden verbonden aan vergunningen verleend op grond van artikel 2.2.2 APV en aan ontheffingen op grond van artikel 4.1.4 APV.
Er wordt voor gekozen evenementen niet onder de Wm maar onder de APV, afdeling 2 van hoofdstuk 2, toezicht op evenementen te laten vallen, omdat:
de Inspectie Milieuhygiëne van Limburg in januari 1996 in haar nota ‘Evenementen met een luidruchtig karakter’ (bijgaand) heeft geadviseerd om evenementen onder de APV te laten vallen;
per evenement een vergunning op maat kan worden afgegeven;
bij dergelijke evenementen de locatie kan wisselen en de Wm ervan uitgaat dat alle activiteiten binnen dezelfde begrenzing plaatsvinden.
Deze argumentatie is eveneens van toepassing op straatfeesten, vertoningen aan het publiek en wedstrijden op de weg.
De hierboven genoemde nota “Evenementen met een luidruchtig karakter” van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg heeft betrekking op grotere luidruchtige evenementen. Het gaat om activiteiten met een duur van één of enkele dagen, met een grote publieke belangstelling en een geluidsproductie die tot (ver) buiten het terrein van het evenement hoorbaar is. De inspectie acht het noodzakelijk om voor dergelijke evenementen in een vergunning op grond van de APV de geluidsniveaus aan te geven die niet mogen worden overschreden. Als norm wordt een maximale gevelbelasting van 70 à 75 decibel genoemd. Reden voor opname van meetbare normen is dat hiermee een concrete invulling wordt gegeven aan het vage begrip ontoelaatbare of onduldbare hinder.
Als niet aan de norm kan worden voldaan moet een andere locatie of een andere opzet van de festiviteit worden gekozen. De op te nemen decibelnormen kunnen worden ondersteund door middelvoorschriften.
Het lijkt dus gewenst om geluidsnormen op te nemen, maar als handhaving leidt tot ordeverstoring is het wenselijk om ook te kijken naar andere vormen van regulering van de festiviteiten.
In de volgende hoofdstukken wordt dieper ingegaan op de geluidregelgeving en –normen voor inrichtingen en niet-inrichtingen (evenementen, tentfeesten en kermissen).