**1..** De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de
alleenstaande of de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, doch
jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, hogere algemeen
noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de
bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel
kunnen delen van deze kosten met een ander.
**2..** De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande
en de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen, in
wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in
artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag.
**3..** De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de
alleenstaande en de alleenstaande ouder, op wie het tweede lid niet
van toepassing is, 10% van het netto minimumloon.
**4..** Indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder niet aantoont dat
hij zijn kosten niet kan delen met een ander wordt geen toeslag
verstrekt.
**5..** Inwonende eigen kinderen van 18, 19 en 20 jaar, alsmede inwonende
eigen kinderen van 21 jaar en ouder die een financiering op grond
van de Wet studiefinanciering dan wel een tegemoetkoming in de
onderwijsbijdrage en schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de
Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten of een
uitkering op grond van de Wet werk en bijstand met verlaging op
grond van artikel 6 van deze verordening ontvangen, hebben geen
invloed op de te verstrekken toeslag.
**6..** De uitwonende alleenstaande van 18 tot en met 20 jaar ontvangt geen
toeslag, maar een door burgemeester en wethouders in de richtlijnen
vast te stellen bijzondere bijstand, indien de individuele
omstandigheden daartoe noodzaken.
Hoofdstuk 2.
Artikel 3
Toeslag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders
Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand Krimpen aan den IJssel 2013