Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2.

Artikel 3

Toeslag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders

Onderdeel van Toeslagenverordening Wet werk en bijstand Krimpen aan den IJssel 2013

1.. De bijstandsnorm wordt verhoogd met een toeslag indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander. 2.. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen, in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, bepaald op het in artikel 25, tweede lid, van de wet genoemde maximumbedrag. 3.. De toeslag als bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder, op wie het tweede lid niet van toepassing is, 10% van het netto minimumloon. 4.. Indien de alleenstaande of de alleenstaande ouder niet aantoont dat hij zijn kosten niet kan delen met een ander wordt geen toeslag verstrekt. 5.. Inwonende eigen kinderen van 18, 19 en 20 jaar, alsmede inwonende eigen kinderen van 21 jaar en ouder die een financiering op grond van de Wet studiefinanciering dan wel een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten of een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand met verlaging op grond van artikel 6 van deze verordening ontvangen, hebben geen invloed op de te verstrekken toeslag. 6.. De uitwonende alleenstaande van 18 tot en met 20 jaar ontvangt geen toeslag, maar een door burgemeester en wethouders in de richtlijnen vast te stellen bijzondere bijstand, indien de individuele omstandigheden daartoe noodzaken.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel