Eerste lid
Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op verschillende manieren:
Het verlagen van de uitkering die in de nabij toekomst wordt verstrekt, is de gemakkelijkste methode. Gemeenten hoeven in dat geval niet over te gaan tot herziening van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen. Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. Een uitzondering hierop vormt artikel 12a. In een dergelijke situatie wordt de maatregel opgelegd met ingang van de ingangsdatum van de bijstandsverlening. Het betreft de situatie dat belanghebbende terug moet vallen op een WWB-uitkering omdat door toepassing van de recidiveboete een andere uitkering (WW, Anw) niet betaalbaar wordt gesteld. In dat geval is het van belang de maatregel onmiddellijk in te laten gaan.
Tweede lid
Aangenomen wordt dat ook indien de bijstand of de langdurigheidstoeslag reeds is uitbetaald met terugwerkende kracht een maatregel kan worden opgelegd. Uit de jurisprudentie van de Raad blijkt dat dit mogelijk is tot het moment waarop de gedraging plaatsgevonden heeft.
Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de bijstand wel worden herzien en teruggevorderd.
Derde lid
Indien de maatregel niet meer met een nog uit te betalen uitkering kan worden verrekend wordt de bijstand met terugwerkende kracht herzien en teruggevorderd.
Vierde lid
Als verrekening of terugvordering niet mogelijk is, kan de maatregel alsnog worden geëffectueerd als binnen 6 maanden opnieuw een uitkering wordt toegekend.
Vijfde lid
Bijstand aan zelfstandigen wordt in het boekjaar als renteloze lening verstrekt en na afloop van het betreffende boekjaar wordt de bijstand over dat boekjaar definitief vastgesteld. Dat maakt het mogelijk om een maatregel met terugwerkende kracht toe te passen bij de definitieve vaststelling van de bijstand.
Zesde lid
Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Hierdoor weet de uitkeringsgerechtigde die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig.
Zevende lid
Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in artikel 18, derde lid WWB en binnen de WWB een dwingende bepaling. De IOAW/IOAZ kent een dergelijke bepaling niet, mocht zich een dergelijke situatie voordoen, dan zal echter dezelfde procedure worden gevolgd.
Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.
Hoofdstuk 1.
Artikel 7.
Ingangsdatum en tijdvak
Onderdeel van Handhaving- en Afstemmingverordening WWB/ Bbz/IOAW/IOAZ 2013 gemeente Goes