Bij de beoordeling van bouwplannen wordt in samenhang met de beschrijving getoetst aan de hand van de volgende criteria: Ligging
• het kleinstedelijke karakter van het gebied behouden
• hoofdgebouwen oriënteren op de belangrijkste openbare ruimte (er is een duidelijk onderscheid in voor- en zijgevels)
• rooilijnen van de hoofdmassa’s volgen de weg en verspringen enigszins ten opzichte van elkaar, bij rijen is de rooilijn in samenhang
• historische perceelsbreedten en samenhangende straatwanden behouden
• gevels zijn deel van straatwanden, waaraan de perceelsbreedte is af te lezen
• hoofdmassa’s staan direct aan de weg of zijn voorzien van een stoep
• grootschalige bebouwing staat bij voorkeur op achterterreinen
• bijgebouwen staan bij voorkeur uit het zicht en achter de voorgevelrooilijn Massa
• de bouwmassa is evenwichtig, in harmonie met het kleinstedelijke karakter van het gebied en afgestemd op de oorspronkelijke bebouwingskenmerken (hoofdvorm, breedte en nokrichting)
• gebouwen zijn individueel en afwisselend en hebben een eenvoudige tot gedifferentieerde opbouw met een eenvoudige rechthoekige plattegrond
• de individuele woning binnen een rij of complex is deel van het geheel
• gebouwen hebben bij voorkeur één tot twee lagen met eenduidige kap
• aan de haven komt bebouwing van drie tot vier lagen met kap voor
• de nokrichting is in beginsel evenwijdig aan de verkavelingsrichting of de weg
• de entree ligt in principe aan de belangrijkste openbare ruimte
• uitbreidingen zoals aanbouwen en dakkapellen vormgeven als toegevoegd ondergeschikt element of opnemen in de hoofdmassa
• bijgebouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdvolume en hebben bij voorkeur een eenvoudige kap van minstens 30 graden
• gebouwen met bijzondere functies mogen afhankelijk van hun positie in het gebied afwijken van gebruikelijke massa, opbouw en vorm Architectonische uitwerking
• architectonische uitwerking en detaillering zijn rijk, zorgvuldig en evenwichtig
• de architectuur volgt het beeld van de kleinstedelijke bebouwing met nadruk op de voorgevel en een verticale hoofdgeleding met hoge begane grond
• top- en lijstgevels met geprofileerde kroonlijsten toepassen
• gevelcomposities zijn samenhangend en afgestemd op de bestaande situatie
• elementen in de gevel in een logische verhouding plaatsen
• gevelopeningen zijn staand of verticaal onderverdeeld
• kozijnen, dakgoten, daklijsten, windveren en dergelijke zorgvuldig detailleren
• wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op hoofdvolume Materiaal en kleur
• materialen en kleuren zijn ingetogen, verouderen mooi, harmoniëren met belendingen en passen in het traditionele straatbeeld
• gevels in hoofdzaak uitvoeren in aardkleurige of gele baksteen of in lichte tint pleisteren of keimen, hellende daken dekken met matte keramische pannen
• kozijnen, lijsten en dergelijke in principe uitvoeren in hout
• kleuren harmoniëren met de omgeving en zijn bij voorkeur traditioneel