**1..** Burgemeester en wethouders stellen de verlaging van de uitkering bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB respectievelijk artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ vast op:
vijf procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de eerste categorie, gedurende een kalendermaand;
tien procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de tweede categorie, gedurende een kalendermaand;
twintig procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de derde categorie, gedurende een kalendermaand;
honderd procent van de bijstandsnorm bij gedragingen van de vierde categorie, gedurende een kalendermaand.
**2..** Burgemeester en wethouders kunnen, in afwijking van het eerste lid, het percentage van de verlaging hoger of lager vaststellen, tot een minimum van vijf procent en een maximum van honderd procent, rekening houdend met de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.
**3..** Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 2 van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan een van de in dat artikel genoemde verwijtbare gedragingen, wordt de hoogte van de verlaging verdubbeld als het een gedraging van de eerste, tweede of derde categorie betreft.
**4..** Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 2 van deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan een van de in dat artikel genoemde verwijtbare gedragingen, wordt de duur van de verlaging verdubbeld als het een gedraging van de vierde categorie betreft.
**5..** Indien een belanghebbende zich wederom schuldig maakt aan een van de in artikel 2 genoemde gedragingen binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit als bedoeld in het derde en vierde lid, wordt de hoogte of de duur van de verlaging verdubbeld.