1.Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij
verkeert.
2.Tenzij in de verordening anders is bepaald, bedraagt de duur van de maatregel een
maand.
3.De duur van de maatregel als bedoeld in het tweede lid wordt verdubbeld, indien de
belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van
dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt
gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld
in artikel 7, tweede lid.
Hoofdstuk 1.
Artikel 4.
Hoogte en duur van de maatregel
Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2013