Het dagelijks bestuur ziet af van het opleggen van een maatregel indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het
dagelijks bestuur heeft plaatsgevonden
Het dagelijks bestuur kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor
dringende redenen aanwezig acht. Omstandigheden die het rechtstreekse gevolg zijn
van een als verwijtbaar aan te merken gedraging zijn geen dringende redenen.
3.Indien het dagelijks bestuur afziet van het opleggen van een maatregel op grond van
dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.
Hoofdstuk 1.
Artikel 7.
Afzien van het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2013