Een vergunning wordt alleen verleend aan natuurlijke
handelingsbekwame personen.
Per persoon wordt voor dezelfde periode niet meer dan één
vergunning verleend.
In geval van overlijden of aangetoonde blijvende
arbeidsongeschiktheid van een vergunninghouder kan het
college de vergunning voor de resterende geldigheidsduur op
verzoek overschrijven op de naam van de achterblijvende
echtgenoot, de geregistreerde partner of een kind van de
vergunninghouder.
Een verzoek als bedoeld in het derde lid van dit artikel
geschiedt binnen zes weken na het overlijden van de
vergunninghouder of nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid
van de vergunninghouder is vastgesteld.
Hoofdstuk 5 › Afdeling 4
Artikel 5:21a