De schipper, die ten behoeve van een vaartuig van de haven of van de kaden gebruik maakt, is verplicht er voor zorg te dragen, dat zich te allen tijde iemand op het vaartuig bevindt, die in staat is dat vaartuig te bewaken.
Indien ten genoegen van de havenmeester wordt aangetoond, dat op andere wijze genoegzaam in de bewaking is voorzien, kan van het bepaalde in het eerste lid worden afgeweken.
De schipper is verplicht ervoor te zorgen dat het vaartuig dat stilligt zodanig is verankerd of gemeerd en van zonsondergang tot zonsopgang zodanig is verlicht dat geen gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan. De verplichting met betrekking tot het voeren van verlichting geldt eveneens wanneer tussen zonsopgang en zonsondergang het zicht dit vereist.
De schipper moet, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in deze verordening, alle voorzorgsmaatregelen nemen die door de algemene plicht tot waakzaamheid en door goed zeemanschap worden gevorderd, teneinde met name te voorkomen dat:
het leven van personen in gevaar wordt gebracht;
schade wordt veroorzaakt aan andere vaartuigen of aan drijvende voorwerpen, aan oevers of aan werken en inrichtingen van welke aard ook die zich in de vaarweg of op de oevers daarvan bevinden;
hinder voor de scheepvaart of kade- of havengebruikers ontstaat;
het milieu in ernstige mate negatief kan worden beïnvloed.