Artikel 27 van de wet geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag te verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Dit artikel is aanvullend bedoeld om ook ingeval er helemaal geen woning wordt bewoond, een verlaging van de toeslag of norm te kunnen toepassen.
In de verordening wordt onder woonkosten verstaan kosten van huur of, in geval van een eigen woning,
hypotheekrente,
onroerend zaakbelasting eigenaardeel,
opstalverzekering,
onderhoudskosten vooroorlogse / naoorlogse woning,
installatie voor centrale verwarming,
liftinstallatie, of
algemeen beheer en administratie (bij flatgebouwen en appartementen)
Hiermee wordt duidelijk, dat het hebben van kosten voor water, gas, licht en dergelijke, voor belanghebbende niet afdoende is om een verlaging van krachtens dit lid te voorkomen. Dit verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale Raad van Beroep heeft gegeven aan het begrip ‘woonkosten’ in de zin van artikel 35 lid 1 ABW. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29 NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.).
Onder woonkosten wordt door de CRvB verstaan:
1°. indien een huurwoning wordt bewoond, de op de aanvangsdatum van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende huurprijs als bedoeld in de Wet individuele huursubsidie; 2°. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.
In artikel 3 lid 5 wordt de toeslag ingeval belanghebbende in het geheel geen woning bewoont vastgesteld op 10 procent van de gehuwdennorm. Een belanghebbende die geen woning bewoont wordt namelijk geacht lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te hebben vanwege het ontbreken van woonkosten. Niettemin zijn de kosten van het bestaan niet zoveel lager als voor een belanghebbende die kosteloos woont in een woning. Een dakloze wordt immers geconfronteerd met de hogere kosten van het op straat leven, zoals bijvoorbeeld de kosten van nachtopvang. De hoogte van een verlaging krachtens dit artikel heeft geen invloed op de wijze waarop de uitkering verleend moet worden.